CPB Blog
Normen voor Nederlands handelsoverschot lastig te bepalen
Martin Mellens | 10-05-2011 | Internationale economie
De Europese ministers van Financiën zijn bezig richtlijnen op te stellen om te zien of de economie in onbalans is. Een van de indicatoren die wordt voorgesteld is het handelsoverschot ofwel het saldo op de lopende rekening. Volgens richtlijnen die in de pers circuleren, mag het tekort niet meer dan 4% en het overschot niet meer dan 5% van het bruto binnenlands product bedragen. Is zo’n richtlijn zinvol voor de Nederlandse economie?
In 2010 bedroeg het Nederlandse saldo op de lopende rekening 6,7%, terwijl het gemiddelde over de laatste 20 jaar 5,4% was. Een handelsoverschot houdt in dat Nederlanders meer sparen dan in Nederland investeren. Het kan vanuit rendementsoverwegingen economisch verstandig zijn een deel van dit overschot te beleggen in het buitenland. Een land kan bovendien economisch kwetsbaar zijn ondanks een structureel handelsoverschot. Ten slotte is onduidelijk wat Nederlandse beleidsmakers moeten doen bij een overschrijding van de norm. Moet Nederland door hogere lonen bewust de prijsconcurrentiepositie en bedrijfswinsten ondermijnen of moet de Rotterdamse haven een gedeelte van het jaar worden gesloten?
Ook statistisch zijn er voetangels en klemmen. Door de wereldhaven Rotterdam is Nederland een belangrijk distributieland. Veel door Nederland ingevoerde goederen worden na slechts een kleine bewerking weer uitgevoerd. Op deze zogenoemde wederuitvoer zit wel een winstmarge van ongeveer 10%. Zonder marge op wederuitvoer ligt het saldo aanmerkelijk lager (figuur 1). In 2010 ligt het saldo exclusief wederuitvoer met 3,7% onder de voorgestelde norm. Verder beïnvloeden door Nederland ontvangen en betaalde rentes, dividenden en ingehouden winsten van buitenlandse dochters het saldo. Nederland heeft relatief veel multinationals en een grote financiële sector. In 2004 werd door buitenlandse dochters voor 10,5 mld euro aan ingehouden winst afgedragen aan Nederlandse niet-financiële instellingen. Het jaar erop was dit bedrag - 6,8 mld euro. Incidentele baten en lasten van een paar multinationals kunnen dus een grote invloed hebben (figuur 2). Een cijfer in één enkel jaar zegt daarom weinig.
Kortom: een handelsoverschot zegt op zichzelf weinig en geeft geen richting aan het economische beleid dat gevoerd moet worden. Het is een indicator die een nuttig startpunt kan zijn voor aanvullend economisch onderzoek. Een harde kwantitatieve norm is daarom moeilijk te formuleren.
Figuur 1 Saldo lopende rekening

Figuur 2 Saldo primaire inkomens

Auteurs op dit blog
Gerelateerde publicaties
- Presentatie CPB als nationale waakhond voor begrotingsbeleid
- CPB Wereldhandelsmonitor: februari 2012
- CPB Wereldhandelsmonitor: januari 2012
- Inkomende directe investeringen en economische prestaties
- Presentatie Europa in crisis
- CPB Wereldhandelsmonitor: december 2011
- Valutaderivaten en de ontkoppeling van wisselkoersfluctuaties en internationale handel
- Kenmerken van wederuitvoerbedrijven
- Factblog: Cijfers over de europrobleemlanden
- CPB Wereldhandelsmonitor: november 2011







