CENTRAAL PLANBUREAU

Onderwerp: persbericht
Nummer: 4
Datum: 15 januari 2002
Inlichtingen bij: Dick Morks (tel: +31-70-3383410)

Kenniseconomie vraagt om institutionele vernieuwing

Uit internationale vergelijkingen blijkt dat de Nederlandse kenniseconomie redelijk goed presteert. Om te zorgen dat dit zo blijft, en waar mogelijk verbetert, is institutionele vernieuwing nodig. Institutionele vernieuwing betekent een andere vormgeving van beleid, bijvoorbeeld andere regelgeving voor scholen en universiteiten en andere criteria bij het innovatiebeleid. De effecten van nieuw beleid zijn vaak moeilijk precies te voorspellen. Goed vormgegeven beleidsexperimenten zijn daarom nodig om meer te weten te komen over de effecten van beleid.

Dit stelt het Centraal Planbureau (CPB) in het vandaag gepubliceerde boek De pijlers onder de kenniseconomie: opties voor institutionele vernieuwing. Hierin gaat het CPB in op onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en innovatief onderzoek bij het bedrijfsleven, tezamen aangeduid als de drie pijlers onder de kenniseconomie. Het boek biedt de politiek een kader voor discussie over de gewenste overheidsrol in de kenniseconomie.
Woensdag 16 januari vindt de officiële aanbieding van het boek plaats. Henk Don, directeur van het CPB, zal het tijdens een workshop over de studie overhandigen aan de ministers Hermans van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en Jorritsma van Economische Zaken. Deze overhandiging, gevolgd door een forumdiscussie, vindt plaats bij het ministerie van OC&W.

Sterktes van de Nederlandse kenniseconomie...
In vergelijking met andere landen blijkt Nederland in een aantal opzichten goed te presteren:

onderwijs: wetenschap:
innovatief onderzoek bij bedrijven:
...en zwaktes...
Het beeld is echter niet over de hele linie positief:

onderwijs:
wetenschap:
innovatief onderzoek bij bedrijven:
...leveren samen een gemengd beeld op
Het geschetste beeld leent zich niet voor eenvoudige generalisaties van het type: de kwaliteit van de Nederlandse kennisinfrastructuur is goed of slecht. Het beeld is niet zwart/wit: tegenover relatief goede scores op een flink aantal indicatoren staan serieuze zorgpunten. Het is niet nodig de alarmbel te luiden over de kenniseconomie. Wel is er alle reden om te zoeken naar beleidsopties die de resterende zwaktes in de kennispijlers repareren, en die de Nederlandse kenniseconomie beter voorbereiden op de toekomst.

Kennisbeleid: kiezen binnen dilemma's
Kennisbeleid betekent het maken van soms moeilijke keuzes. Beleidsmakers worden geconfronteerd met lastige dilemma's. Het huidige beleid impliceert een bepaalde keuze binnen deze dilemma's. Trends vragen soms echter om een aanpassing van de keuzes. Voorbeelden van trends met belangrijke gevolgen voor de kenniseconomie:

dilemma's rond onderwijs
dilemma rond wetenschap
dilemma's rond innovatiebeleid
Beleidsopties en beleidspakketten
Het CPB heeft uiteenlopende beleidsopties ter versterking van de kenniseconomie geformuleerd en geanalyseerd. De beleidsopties zijn ingedeeld in een zestal beleidspakketten die elk een rode draad bevatten: een bepaalde keuze voor brede beleidsdoelstellingen of een bepaald idee over de effectiviteit van beleid. In totaal zijn zes beleidspakketten samengesteld:

Door het formuleren van beleidsopties en beleidspakketten biedt het CPB aan de politiek een kader voor discussie over de gewenste overheidsrol in de kenniseconomie. De keuzes die een nieuw kabinet daarbij zal maken, hangen mede af van politieke voorkeuren. Het CPB doet daarom geen aanbevelingen, maar laat wel zien dat trends pleiten voor maatwerk en differentiatie bij voorschools, basis en voortgezet onderwijs, en voor een dieptestrategie bij hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

Opties voor institutionele vernieuwing: voorschools, basis, en voortgezet onderwijs

Beleidspakket 1: maatwerk en differentiatie
Dit beleidspakket biedt ruim baan aan individuele voorkeuren van leerlingen en studenten, en neemt op de koop toe dat dit kan leiden tot verschillen in onderwijskwaliteit. Binnen de individualiseringsfilosofie van dit pakket past ook versterking van prestatieprikkels voor scholen en docenten. Mogelijke beleidsopties binnen dit pakket zijn:

Beleidspakket 2: gelijkheid en uniformiteit

Dit beleidspakket wil de negatieve gevolgen van de individualiseringstrend tegengaan. Bezorgdheid over grotere ongelijkheid tussen onderwijsinstellingen krijgt een zwaar accent. Het beleid blijft gericht op gelijke behandeling en op een aanzienlijke mate van inhoudelijke sturing van het onderwijsproces. Mogelijke beleidsopties binnen dit pakket:

Opties voor institutionele vernieuwing: hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek

Beleidspakket 1: een dieptestrategie
De rode draad in dit beleidspakket is versterking van prestatie- en concurrentieprikkels, met als doel maximale ruimte te bieden aan toptalent. Een belangrijk idee achter dit beleidspakket is dat de uitkomsten van hoger onderwijs en onderzoek goed meetbaar zijn. Alleen dan is het immers mogelijk af te rekenen op prestaties. Bovendien ademt dit pakket een groot vertrouwen in de kracht van prikkels, en gaat het er van uit dat de huidige prikkels rond wetenschap en hoger onderwijs onvoldoende zijn.
Dit beleidspakket bestaat uit de volgende beleidsopties:

Beleidspakket 2: een breedtestrategie

Dit beleidspakket heeft als rode draad toegankelijkheid en toepasbaarheid. In plaats van maximale ruimte voor toptalent mikt het beleid in dit pakket op maximale toegankelijkheid van hoger onderwijs. Omdat afrekenen op prestaties een kleinere rol speelt in dit beleidspakket, stelt het minder stringente eisen aan de meetbaarheid van de uitkomsten van onderwijs en onderzoek. Dit beleidspakket bestaat uit de volgende beleidsopties:
Opties voor institutionele vernieuwing: innovatief onderzoek bij bedrijven

Beleidspakket 1: generiek en marktgestuurd beleid
In dit pakket laat de overheid de keuzes zoveel mogelijk over aan marktpartijen. Mogelijke beleidsopties zijn:
Beleidspakket 2: specifiek en technologiegericht beleid
In dit pakket maakt de overheid zelf duidelijke keuzes:
Drie beleidsstrategieën
Gegeven de onzekerheden rond de effectiviteit van de verschillende beleidsopties zijn verschillende beleidsstrategieën mogelijk.
Een eerste strategie is zoveel mogelijk op safe spelen, en afzien van onzekere institutionele hervormingen. Maar is dit echt een optie? Ook over de effectiviteit van bestaand beleid is vaak weinig bekend. Vasthouden aan bestaande institutionele arrangementen in onderwijs en onderzoek is al met al ook niet zo'n veilige strategie.
Een tweede strategie, gericht op lerend kennisbeleid, bestaat uit de stappen onderzoeken, experimenteren en evalueren:
Op langere termijn draagt deze strategie bij aan effectiever en efficiënter beleid. Hier staat tegenover dat op korte termijn terughoudendheid van beleidsmakers wordt gevraagd: grootschalige, landelijk dekkende beleidsinitiatieven moeten wachten op de uitkomsten van evaluatie-onderzoek.
Een derde, meer agressieve strategie gokt op brede inzet van een aantal veelbelovende instrumenten. Zo'n strategie heeft als voordeel dat sneller resultaten zijn te boeken, maar heeft als nadeel een groter afbreukrisico door tegenvallende resultaten of door ongewenste neveneffecten.
Het CPB maakt geen keuze tussen deze drie strategieën, omdat zo'n keuze opnieuw afhangt van politieke voorkeuren. Het planbureau constateert wel dat de risico-mijdende houding van de eerste beleidsstrategie zich slecht verhoudt met de wens tot versterking van de kennispijlers. Het afbreukrisico van de derde strategie, en het ontbreken van acute knelpunten, pleit dan voor de tweede strategie gericht op lerend beleid.

Succes in de kenniseconomie vergt meer dan alleen sterke kennispijlers
Met deze beleidspakketten kunnen belangrijke stappen worden gezet ter versterking van de pijlers onder de kenniseconomie. Maar economisch succes hangt niet alleen af van goed onderwijs en goed onderzoek. De Nederlandse economische geschiedenis levert daar een duidelijke illustratie van. Industrialisatie kwam in Nederland pas op gang laat in de 2e helft van de 19e eeuw. Dat was veel later dan in het VK (eind 18e eeuw), maar ook later dan in België, Frankrijk, Duitsland en Zwitserland. Deze achterstand lag niet aan de kwaliteit van onderwijs en onderzoek. Op deze terreinen had Nederland juist een prima uitgangspositie. Waarom was Nederland dan toch een industriële laatkomer? De volgende factoren speelden een rol:
De determinanten van economisch succes in de kenniseconomie van de 21e eeuw wijken ongetwijfeld af van die aan het eind van de 18e eeuw. Maar ook in de kenniseconomie vereist economisch succes meer dan alleen sterke kennispijlers. Starre arbeidsmarkten en gebrek aan concurrentie op productmarkten kunnen, net zoals dat in het verleden het geval was, ook in de toekomst het innovatieproces belemmeren. En naast de kennisinfrastructuur speelt ook de fysieke infrastructuur een belangrijke rol als determinant van economisch succes.
Het uiteindelijke beleidsdoel is het bevorderen van duurzame welvaart, breed gedefinieerd, dus met inbegrip van niet-economische facetten zoals gezondheid, milieu, veiligheid, en ruimte voor het ontwikkelen van de eigen talenten. Bij het vertalen van ambities op kennisgebied in concreet beleid mag daarom ook steeds de vraag gesteld worden in hoeverre nieuw beleid bijdraagt aan deze brede welvaartsdoelstelling. Dit voorkomt dat kennisbeleid zich beperkt tot eng-economische doelstellingen zoals nut voor het bedrijfsleven of relevantie voor de arbeidsmarkt. Het brede welvaartscriterium onderstreept bovendien de noodzaak investeringen in kennis af te wegen tegen andere aanwendingen van schaarse overheidsmiddelen

De Bijzondere CPB Publicatie 'De pijlers onder de kenniseconomie: opties voor institutionele vernieuwing', ISBN 90-5833-090-7, is te bestellen bij:

Bibliotheek Centraal Planbureau
Postbus 80510
2508 GM Den Haag
Telefoon: 070-3383425
Telefax: 070-3383350

E-mail: bibliotheek@cpb.nl

Prijs: EUR 15.00

De volledige publicatie is (gratis) beschikbaar als PDF-file.


| Top |