Projecten Sector Economie en fysieke omgeving


Top

Programma: Ruimtelijke economie

Studie over agglomeratie, subsidiariteit en grondprijzen
Komend jaar zal een brede en overkoepelende publicatie (Speciale studie) worden gemaakt over de relaties tussen (allerlei aspecten van) ruimte, mobiliteit, bestuur en productiviteit. Die studie heeft als belangrijke bouwstenen de onderzoeken die de afgelopen jaren binnen de sector zijn verricht, te weten:

  • de inventarisatie van theorieën over agglomeratie-effecten
  • het empirisch onderzoek naar de omvang van agglomeratie-effecten op de arbeidsmarkt, mede in relatie tot infrastructuur
  • het onderzoek door middel van analyse van grondprijzen van de ruimtelijke schaal waarin publieke voorzieningen werken (subsidiariteitskwestie)

    Op korte termijn zal een outline voor die overkoepelende publicatie worden opgesteld. Daarbij kunnen nog witte vlekken naar voren komen die aanvullend (literatuur)onderzoek vereisen. Naast de drie bovengenoemde studies past daarin ook een stuk over de financiële verhoudingen tussen het Rijk en de lagere overheden vanuit sector 2. Ook sector 6 zal een bijdrage leveren.

    Top

    Bijdrage aan nieuwe WPRB-publicatie
    Het WPRB (Werkverband periodieke rapportage bevolkingsvraagstukken, een samenwerkingsverband van de planbureaus onder leiding van het NIDI) zal weer een publicatie maken, dit maal over (regionale) bevolkingskrimp. Vanuit het programma Ruimtelijke Economie zal een theoretisch getint hoofdstuk worden geschreven hoe krimp regionaal-economisch verschillend uitwerkt, eerst op de woningmarkt, daarna op de samenstelling van de bevolking en ten slotte op de werkgelegenheid.

    Top

    NICIS project Stedelijke netwerken
    Er is toegezegd jaarlijks een bijdrage te leveren aan dit onderzoek dat 4 jaar loopt en zal worden geleid door de Universiteit Utrecht. Medewerking is wel afhankelijk van het werkplan dat op dit moment nog weinig is uitgewerkt.

    Top

    Locatiekeuze van huishoudens
    In het kader van de ontwikkeling (in samenwerking met de Vrije Universiteit) van methodieken om de effecten van RO-beleid in kaart te kunnen brengen wordt verder onderzoek gedaan naar de locatiekeuze van huishoudens en met name van (hoog opgeleide) tweeverdieners. Het onderzoek richt zich op de mogelijke consequenties van het feit dat tweeverdieners een ingewikkeldere woon-werk relatie hebben dan éénverdieners. De eventuele gevolgen voor de woon-werkafstand, woonlocatie en preferenties op de huizenmarkt worden onderzocht.

    Top

    Programma: Wonen

    Integrale woningmarktstudie
    De integrale woningmarktstudie is in 2010 afgerond. In deze studie worden analyses gepresenteerd van de economische effecten op de woningmarkt en daarbuiten van alternatieven voor het huidige woonbeleid. Dit project bouwt voort op eerdere studies naar de koopwoningmarkt en de huurwoningmarkt. De studie voegt daaraan toe een beeld van de interactie tussen beide markten, een expliciete schets van alternatieven voor het huidige beleid en de daarvan gevolgen voor de koopkracht en de welvaart.

  • J.H.M. Donders - M.F. van Dijk - G. Romijn: Hervorming van het Nederlandse woonbeleid
  • Top

    Programma: Mobiliteit en infrastructuur

    Indirecte effecten
    Dit betreft onderzoek naar kwantificering van de indirecte effecten van transportlijn-infrastructuur met de methode van het Britse Ministerie van Transport (Department for Transport; DfT). Het moet leiden tot aanvulling van de OEI-methodiek. Het is de bedoeling dat het onderzoek in 2008 wordt afgerond middels publicatie als CPB Document. Deze studie kan in 2009 een vervolg krijgen door de methodiek en bevindingen ook voor andere terreinen dan transport lijninfrastructuur uit te werken. De wijze van publicatie daarvan wordt nog nader bezien.

  • In de eerste plaats betreft dit de indirecte effecten van (lucht)havens (puntinfrastructuur). De VU heeft in 2001 gestudeerd op de indirecte effecten voor Schiphol. Die studie is echter conceptueel van aard en bevat geen praktische richtlijnen voor de kwantificering ervan. Dit onderzoek kan mogelijk ook meer licht werpen op vestigingsplaatsbaten. Naar aanleiding van KBA's vindt vaak veel discussie plaats over de baten van vestigingsplaatsfactoren die aan mainportfuncties of infrastructuur verbonden zouden zijn en die hoofdkantoren zouden aantrekken.
  • Ook een kilometerheffing of een andere vorm van direct beprijzen van weggebruik (Anders Betalen voor Mobiliteit; ABvM) heeft effect op de bereikbaarheid met conceptueel dezelfde indirecte effecten als infrastructuur. Het ligt daarmee voor de hand om ook voor dergelijk beleid na te gaan hoe (en of) de DfT methode voor kwantificeren van indirecte effecten praktisch vorm kan worden gegeven. Eerder is hiernaar onderzoek gedaan door het RPB (2007), maar verder onderzoek is gewenst. Er is belangstelling voor dit onderzoek getoond vanuit de ministeries van Economische Zaken en Financiën. Het ministerie van Economische Zaken geeft aan capaciteit voor een dergelijk onderzoek eventueel te willen financieren, of een consultant het onderzoek te laten uitvoeren, mede onder onze begeleiding.

    Top

    Kennisontwikkeling KBA's en OEI
    Op het gebied van kosten-batenanalyse komen er voortdurend nieuwe vragen op enerzijds omdat in concrete situaties niet precies duidelijk is hoe bepaalde zaken moeten worden aangepakt, anderzijds omdat onder meer vanuit het beleid nieuwe vragen worden gesteld die om een verdere uitwerking van het instrumentarium vragen. In het kader van het programma Mobiliteit en infrastructuur zijn een aantal projecten geformuleerd waar eigenlijk aandacht aan besteed zou moeten worden, maar waarvan het nog niet duidelijk is in welke mate van urgentie zij zich in de loop van het jaar zullen presenteren. De keuze welke van de projecten daadwerkelijk zullen worden uitgevoerd zal in een latere fase worden gemaakt. In totaal zijn 10 maanden beschikbaar voor een aantal van deze projecten. Het gaat om de volgende projecten:

  • KBA's van gecombineerde ruimte en ov-projecten Waarom worden de baten en kosten van stedelijke verdichting niet betrokken bij de beoordeling van ov-projecten? Hoe breng je de welvaartseffecten van bundelingsbeleid in kaart? Deze en soortgelijke vragen zijn aanleiding om onderzoek te doen naar methoden om een maatschappelijke kosten-batenanalyse uit te voeren van een verandering van het ruimtelijk beleid in combinatie met een ov-project. Deze methoden dienen zowel inzicht te geven in de afzonderlijke welvaartseffecten van beide projecten apart, als van de gezamenlijke effecten (en daarmee de synergie-effecten). De methoden moeten ook praktisch en uitvoerbaar zijn. In het najaar van 2008 wordt een onderzoeksvraag geformuleerd. Daarbij wordt ook bezien of de ontwikkelde methodiek kan worden toegepast in een KBA voor de geplande "schaalsprong voor Almere" (60.000 woningen erbij) waarin zowel vragen van ruimtelijke inrichting als van infrastructuur (OV en wegen) aan de orde zijn. Het is de bedoeling dat in dit project wordt samengewerkt met het PBL en mogelijk ook met het KiM.
  • Reële opties. Bij infrastructuurprojecten zijn de baten vaak afhankelijk van zeer onzekere factoren zoals de toekomstige macro-economische ontwikkeling of het klimaat. De moderne theorie suggereert om in dit soort situaties de kans op overinvestering te verkleinen door het project te faseren (zie bijvoorbeeld Dixit and Pindyck). De laatste jaren is dat ook standaard onze beleidsaanbeveling. Wat is precies het kwantitatieve belang van een "optie om uit te stellen"? Deze vraag is nog niet zo eenvoudig te beantwoorden. In het kader van deze vraagstelling zoeken we naar samenwerking met sector 4 en het KiM. Daarnaast zetten we in op ontwikkeling van eigen capaciteit, te beginnen met een sterk gestileerd model met een onzekere vraag naar mobiliteit in relatie tot de capaciteit en uitbreidingen daarvan. Ook in het programma Waterveiligheid wordt gewezen op het belang van reële opties.
  • In de huidige KBA systematiek wordt robuustheidsbaten van mobiliteitsmaatregelen grofweg meegenomen als een generieke opslag op de reistijdwinst. In de Mobiliteitsaanpak van het kabinet wordt bijna 1 mld gereserveerd voor maatregelen die uitsluitend op het vergroten van de robuustheid zijn gericht. Om dergelijke projecten te kunnen beoordelen is een wat minder globale waarderingsmethode nodig voor robuustheidsbaten. Dit onderzoek voorziet daarin.

    Top

    Programma: Milieu, natuur en landbouw

    Betekenis van 1e generatie biomassaproductie
    Uitwerking van de betekenis van (grootschalige) 1e generatie biomassaproductie in de energievoorziening en de implicaties voor de agrarische grondstofmarkten.

    Top

    Duurzaamheidsmonitor
    Volgens plan zal begin 2009 de eerste Duurzaamheidsmonitor verschijnen. Het is de bedoeling dat dit de start is van een jaarlijkse reeks. De monitor is een gezamenlijk project van het CBS en de drie planbureaus. De monitor bestaat enerzijds uit een beschrijving van 'de stand van zaken' in Nederland m.b.t. tot de ontwikkeling van een aantal voor duurzaamheid relevante indicatoren; en anderzijds uit een gedetailleerde uitwerking van enkele interessante duurzaamheidthema's. Afhankelijk van de thema's waaraan in de volgende duurzaamheidmonitor aandacht zal worden besteed, kan de CPB-bijdrage ook door een andere sector/programma moeten worden geleverd.

    Top

    Kosten-effectief klimaatbeleid
    Het CPB is in 2007 samen met het ECN gestart met een economische analyse van de doelstellingen op het terrein van duurzame energie in het Regeerakkoord. De beleidsruimte voor Nederland binnen de context van het EU-beleid vormt in de studie het uitgangspunt. Daarbij zal tevens aandacht worden besteed aan andere maatregelen om de uitstoot van broeikasgassen te beperken, zoals CO2-opslag en energiebesparing, aan effecten op het terrein van de voorzieningszekerheid en aan externe effecten (waaronder landschap, natuur etc). Meer institutionele vraagstukken, bijvoorbeeld rond het emissiehandelssysteem, zullen eveneens in de studie aan bod komen. Het project wordt begeleid door een departementale begeleidingscommissie. In 2008 is dit project tijdelijk stopgezet omdat er een actualisatie nodig was van de scenario's voor olieprijzen en daaraan gerelateerde prijzen. In 2009 zal de studie worden afgerond, waarbij met sector 4 zal worden samengewerkt. Ambitie is hierover een CPB Document uit te brengen.

    Top

    Programma: Waterveiligheid

    Project Waterveiligheid 21e eeuw (WV21)
    In het kader van WV21 moet in 2010 een KBA gereedkomen met optimale veiligheidsniveaus voor dijkringen als uitkomst. Ter voorbereiding daarvan is in 2008 een KKBA gemaakt over hetzelfde onderwerp, waaruit een aantal lacunes naar voren kwam. Het CPB is betrokken bij twee vervolgonderzoeken.

  • Het optimalisatiemodel dat tijdens de KBA Ruimte voor de Rivier op het CPB is ontwikkeld, wordt uitgebreid tot meer trajecten per dijkring. Op basis van die nieuwe informatie moet een goed inzicht worden verkregen hoe we het best kunnen komen tot nieuwe getallen bij de veiligheidsnormen in de Waterwet. CPB neemt deel aan de begeleidingscommissie en doet voorstellen voor de aanpak.
  • Grootste probleem is de hoogte van de disconteringsvoet omdat er naast de onzekerheid over de economische groei ook klimaatverandering is met ook onzekerheid daarover. Daarnaast is het verschijnsel van de reële optie duidelijk aanwezig. In het najaar 2008 wordt geprobeerd hiernaar een onderzoek te starten in samenwerking met Deltares en het CWI (Centrum voor Wiskunde en Informatica), dat eind 2009 tot resultaten moet leiden. Belangrijkste bijdrage vanuit CPB wordt geleverd vanuit sector 4.

    Verder wordt het CPB geconsulteerd over allerlei nota's op het gebied van water(veiligheid), onder andere ook in het Adaptatieprogramma Ruimte en Klimaat (ARK) en projecten die daar ondervallen. Tot slot moet er een tijdschriftartikel worden gemaakt van het oorspronkelijke model.