Kopafbeelding publicaties CPB

De fiscale behandeling van minstverdienende partners in Nederland: Is de gelijkheid uit het zicht verloren?

CPB Discussion Paper 375, 15 februari 2018

Het afgelopen decennium was het beleid in Nederland gericht op het bevorderen van de arbeidsparticipatie, mede vanwege de houdbaarheid van de overheidsfinanciën in het licht van de vergrijzing, en een gelijkere verdeling van arbeid en zorg tussen mannen en vrouwen. De opeenvolgende kabinetten hebben werken financieel aantrekkelijker gemaakt, o.a. door het verhogen van de arbeidskorting, de combinatiekorting en de kinderopvangtoeslag. Men heeft niet-werken financieel minder aantrekkelijk gemaakt, o.a. door het inperken van de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting (ook wel aangeduid als `aanrechtsubsidie’). Dit beleid heeft geleid tot een hogere arbeidsparticipatie, vooral die van vrouwen.

Lees ook de bijbehorende Policy Brief, persbericht en achtergronddocument.

De keerzijde van dit beleid is dat de verschillen tussen het besteedbaar huishoudinkomen van eenverdieners enerzijds en dat van tweeverdieners anderzijds zijn toegenomen. De belastingdruk voor tweeverdieners is afgenomen en de belastingdruk voor eenverdieners is toegenomen. In de toekomst zet deze trend zich voort, o.a. door een verdere inperking van de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting.

Drukverschillen tussen een- en tweeverdieners beïnvloeden niet alleen de koopkracht van deze groepen, maar ook de keuze om al dan niet te werken, en daarmee de doelmatigheid (efficiency) van de economie. Door te corrigeren voor de doelmatigheidseffecten van de drukverschillen tussen een- en tweeverdieners kunnen we de impliciete maatschappelijke waarde achterhalen van een extra euro voor een- en tweeverdieners. De waarde van een extra euro besteedbaar inkomen voor een bepaalde groep wordt ook wel het sociale welvaartsgewicht van die groep genoemd (Saez en Stantcheva, 2016). Doorgaans wordt aangenomen dat sociale welvaartsgewichten positief zijn (extra inkomen levert altijd extra `nut’ op) en dat ze lager zijn voor hogere inkomens (een extra euro is minder waard als je al veel euro’s hebt).

Om de sociale gewichten van een- en tweeverdieners te bepalen gebruiken we de optimale-belastingtheorie (Mirrlees, 1971). Meer specifiek gebruiken we de inverse methode van optimale-belastingtheorie (Bourguignon en Spadaro, 2012). De `standaard’ optimale-belastingmethode beantwoordt de vraag: wat is het optimale belastingstelsel gegeven de sociale welvaartsgewichten? De inverse methode beantwoordt de vraag: wat zijn de sociale welvaartsgewichten waarbij een gegeven belastingstelsel optimaal is? In beide gevallen wordt rekening gehouden met de doelmatigheidseffecten. 
Met behulp van een empirisch model voor een- en tweeverdieners bepalen we de impliciete sociale welvaartsgewichten voor een- en tweeverdieners in het verleden (2005), het `heden’ (2017) en de toekomst (het structurele belastingstelsel nadat de voorgenomen beleidswijzigingen zijn doorgevoerd). Dit doen wij apart voor stellen met en zonder (minderjarige) kinderen. Het doel van deze analyse is om te bepalen of doelmatigheidseffecten het drukverschil tussen een- en tweeverdieners kunnen rationaliseren. Meer specifiek: wanneer we corrigeren voor doelmatigheidseffecten, is het welvaartsgewicht van eenverdieners (met een relatief laag huishoudinkomen) dan hoger dan dat van tweeverdieners (met een relatief hoog huishoudinkomen)? Uit de analyse blijkt dat dit niet (meer) het geval is. 

In 2005 kregen eenverdieners met kinderen (gemiddeld) nog een hoger gewicht dan tweeverdieners met kinderen. In 2017 kregen eenverdieners met kinderen echter een lager gewicht dan tweeverdieners en het gewicht voor eenverdieners zakt nog verder weg in de toekomst. Binnen de groep 'stellen met kinderen' daalt vooral het gewicht voor eenverdieners met een jongste kind tussen 0 en 3 jaar oud. Het gewicht is zelfs negatief in 2017 en wordt nog negatiever in de toekomst. Een negatief gewicht suggereert dat het drukverschil tussen een- en tweeverdieners met een jongste kind tussen 0 en 3 jaar oud inmiddels ondoelmatig hoog is. Een lagere druk voor eenverdieners levert dan ceteris paribus een Pareto-verbetering op, waarbij zij erop vooruitgaan en niemand erop achteruitgaat. Ook het gewicht van eenverdieners zonder kinderen neemt over de tijd af, maar de mutatie is minder groot dan voor eenverdieners met kinderen.

Er zijn echter andere redenen dan doelmatigheid die het lagere sociale welvaartsgewicht van eenverdieners kunnen verklaren. Ten eerste, wanneer eenverdieners `vrije tijd’ meer waarderen dan tweeverdieners, bijvoorbeeld omdat ze dan meer tijd hebben om voor hun kinderen te zorgen of mantelzorg te verlenen, dan onderschatten we het welzijn en daarmee het gewicht van eenverdieners. Ten tweede, het gehanteerde model is statisch. Het model negeert bijvoorbeeld de kans op scheiden, waarbij de tweede verdiener terugvalt in besteedbaar inkomen (en wellicht gebruik gaat maken van de bijstand), en mogelijke carrière-effecten van participatie voor moeders met jonge kinderen. Ten derde, bij het bepalen van de sociale welvaartsgewichten gaan we ervan uit dat het voor de bestedingen niet uit maakt wie het inkomen verdient. Wanneer mannen en vrouwen in stellen het inkomen beperkt delen, dan kan dit een reden zijn waarom eenverdieners een relatief laag gewicht krijgen.  

Deel deze pagina