Kopafbeelding publicaties CPB

Beperkt een onafhankelijke indicatiestelling het gebruik van langdurige zorg?

CPB Discussion Paper 327, 24 maart 2016

Een belangrijke vraag in de zorg is wie moet beoordelen welke en hoeveel zorg een patiënt nodig heeft. Grofweg zijn er twee opties. Men kan de beoordeling uitbesteden aan een onafhankelijke beoordelaar, of overlaten aan de zorgaanbieder zelf.

Wanneer de zorgaanbieder zelf mag beoordelen, bestaat het risico op ondoelmatige zorgverlening, want  de zorgaanbieder laat mogelijk eigen belangen meespelen in de beslissing. Hierdoor kan er een andere hoeveelheid of een ander type zorg worden geleverd dan maatschappelijk wenselijk is. Denk bijvoorbeeld aan een verpleegkundige die oordeelt dat een cliënt meer uren zorg nodig heeft dan wenselijk is, omdat dit de verpleegkundige zelf meer werk en inkomen oplevert. Een nadeel van een onafhankelijke beoordeling is dat deze tijdrovend, kostbaar en inefficiënt is. Bijvoorbeeld, een verpleegkundige die een patiënt goed kent, kan wellicht beter en sneller beoordelen welke zorg een cliënt nodig heeft dan een onafhankelijke beoordelaar.

Niet alleen in Nederland, maar ook in Duitsland, België, Zwitserland en Japan vindt in de langdurige zorg de beoordeling plaats door een onafhankelijke beoordelaar. In Nederland wordt deze beoordeling uitgevoerd door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). In dit kwantitatieve onderzoek gaan we na in hoeverre het aannemelijk is dat onafhankelijke indicatiestelling het risico op ondoelmatige zorgverlening vermindert. We onderzoeken dit door voor alle cliënten die in 2012 werden geïndiceerd voor langdurige zorg, het type en de hoeveelheid zorg die ze hebben gebruikt te vergelijken met het type en de hoeveelheid geïndiceerde zorg.  Als de resultaten van die analyse wijzen op sterke overeenkomsten tussen de gebruikte en de geïndiceerde zorg, dan bevestigt dat de waarde van een onafhankelijke indicatiestelling.

Uit het onderzoek blijkt dat vrijwel alle cliënten het type thuiszorg kregen dat het CIZ indiceerde.  Wat de hoeveelheid zorg betreft, gebruikte het merendeel van de cliënten (veel) minder zorg dan geïndiceerd was. Bijvoorbeeld, van de cliënten met een indicatie voor 7 tot 10 uur persoonlijke verzorging per week kreeg 59% van de gebruikers van zorg in natura minder dan 7 uur zorg. Daarnaast gebruikt een deel van de cliënten met een indicatie helemaal geen zorg. Dit beeld is landelijk, hoewel het verschil tussen gebruik en indicatie van zorg sterk varieert tussen typen zorg en regio’s.

De hoeveelheid zorg die cliënten gebruiken, wordt dus nauwelijks beperkt door de indicatiestelling. Dit suggereert dat de onafhankelijke indicatiestelling een kleine rol speelt in het beperken van het risico op ondoelmatige zorgverlening, omdat er voor zorgaanbieders voldoende ruimte was om aan cliënten meer (of minder) zorg te leveren. Nader onderzoek is nodig om na te gaan waarom het gebruik van zorg zo sterk afwijkt van de hoeveelheid zorg die werd geïndiceerd en wat de consequenties daarvan zijn. Deze inzichten kunnen helpen bij het effectiever maken van de indicatiestelling en bij het beantwoorden van de vraag wie het beste kan beoordelen welke zorg een cliënt nodig heeft.

Deel deze pagina