Kopafbeelding publicaties CPB

De effectiviteit van fiscaal participatiebeleid

CPB Policy Brief 2015-02, 14 februari 2015

Generieke lastenverlichting doet relatief weinig voor de arbeidsparticipatie. Lastenverlichting voor werkende moeders met jonge kinderen is relatief effectief. Ook het beperken van inkomensondersteuning voor huishoudens met een laag inkomen levert relatief veel participatie op. Daar staat dan wel een toename in de inkomensongelijkheid tegenover.

Lees ook het bijbehorende persbericht.

Recent empirisch onderzoek toont een grote verscheidenheid in reacties op financiële prikkels. De arbeidsparticipatie van alleenstaanden en van mannen in samenwonende stellen is relatief ongevoelig voor financiële prikkels. De arbeidsparticipatie van moeders met jonge kinderen, zowel alleenstaande moeders als moeders in samenwonende stellen, is daarentegen relatief gevoelig voor financiële prikkels. Verder blijkt dat vooral het beïnvloeden van de keuze om al dan niet te werken effectief is. Financiële prikkels hebben maar beperkt invloed op de keuze voor het aantal uren of dagen werk per week.

Generieke lastenverlichting houdt onvoldoende rekening met de verscheidenheid in reacties om een groot effect te sorteren op de arbeidsparticipatie. Het verlagen van de schijftarieven beïnvloedt vooral de keuze voor het aantal dagen per week dat gewerkt wordt. Deze keuze is echter relatief ongevoelig voor financiële prikkels. Mede hierom heeft een vereenvoudiging in de vorm van een vlakke tariefstructuur (een simpele vlaktaks), bij gelijkblijvende inkomensongelijkheid, zelfs een averechts effect. De daling van de tarieven aan de bovenkant heeft maar een beperkt effect op het aantal uren per werkende, terwijl de stijging van de tarieven aan de onderkant werken juist aanzienlijk ontmoedigt. Het invoeren van een basisinkomen heeft ook een averechts effect. Dit geeft tweede verdieners een financiële prikkel om te stoppen met werken en deze groep reageert daar relatief sterk op.

Beleid dat het inkomensverschil tussen werken en niet werken vergroot, zoals het verhogen van de arbeidskorting aan de onderkant of het verlagen van de uitkeringen, is effectiever in het bevorderen van de arbeidsparticipatie. Dat geldt des temeer voor fiscale maatregelen die werken financieel aantrekkelijker maken voor moeders met jonge kinderen, zoals het verhogen van de inkomensafhankelijke combinatiekorting, maar ook het verlagen van het kindgebonden budget of de bijstand voor alleenstaande ouders. De twee laatstgenoemde maatregelen leiden echter tot een toename in de inkomensongelijkheid.

Tot slot is het belangrijk op te merken dat het effect van financiële prikkels op de arbeidsparticipatie kleiner is dan in het verleden. Nederland heeft te maken met de wet van de remmende voorsprong. De (structurele) arbeidsparticipatie is de afgelopen decennia flink gestegen. Hierdoor is het moeilijker geworden om de arbeidsparticipatie verder te verhogen. Verder kent het huidige fiscale stelsel al een aantal kortingen en toeslagen voor groepen en beslissingsmarges die daar relatief gevoelig voor zijn. Ook dit maakt additioneel beleid minder effectief. Het suggereert ook dat een vereenvoudiging van het fiscale stelsel wat betreft de kortingen en toeslagen voor werkenden al gauw een prijs zal vragen in termen van arbeidsparticipatie.

Deel deze pagina