Kopafbeelding publicaties CPB

Effecten van de uitvoeringsnota klimaatbeleid

CPB Werkdocument 113, 1 oktober 1999

In deel 1 van de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid (juni 1999) geeft het Kabinet aan met welke binnenlandse maatregelen wordt gestreefd naar een reductie van emissies van broeikasgassen conform het akkoord van Kyoto.

Lees ook het bijbehorende persbericht.

In het binnenland wordt een reductie met 25 Mton beoogd. Uit deze notitie blijkt dat de effecten van de Uitvoeringsnota onzeker zijn, met name omdat de nota veel minder hard beleid bevat. Minder hard zijn instrumenten waarover pas later eventueel wordt besloten, instrumenten die niet zijn geconcretiseerd en instrumenten waarvan de effecten als zeer onzeker worden beoordeeld. Een voorbeeld is het convenant over kolencentrales dat het Kabinet wil afsluiten met de elektriciteitsproducenten. Het harde beleid leidt tot een reductie van 13 Mton. Als ook het minder harde beleid wordt meegerekend, zou de doelstelling wel bereikt kunnen worden. De nota verhoogt de overheidsuitgaven % incl. gederfde inkomsten % structureel met 0,85 (hard beleid) tot 1,25 mld gulden (inclusief minder hard beleid) per jaar; dit wordt grotendeels gefinancierd uit (verhoging van) energiebelastingen.

De Uitvoeringsnota leidt op lange termijn (2020) naar verwachting tot een bruto binnenlands product dat 0,2% (hard beleid) tot 0,3% (inclusief minder hard beleid) lager is dan het BBP in het Global Competition scenario. De werkgelegenheid valt 0,1 (hard beleid) resp. 0,1 à 0,2% (inclusief minder hard beleid) lager uit dan in het GCscenario. Voor afzonderlijke sectoren kunnen de effecten groter uitvallen. Bij de glastuinbouw kan het ‘GLAMI’-convenant in de context van het GC-scenario, afhankelijk van de invulling, tot een 5% lagere afzet leiden.

Deel deze pagina