Kopafbeelding publicaties CPB

Kritische multiplierwaarden voor een negatief schuldeffect van tekortreducerende maatregelen

CPB Achtergronddocument, 24 maart 2017

Tekortreducerende maatregelen door de overheid, bedoeld om de houdbaarheid van de staatsschuld te verbeteren, zullen in eerste instantie de economische groei drukken en vermoedelijk ook de inflatie. In euro’s neemt de staatschuld dan weliswaar af, al kunnen uitverdieneffecten de oorspronkelijke impuls nog wel afzwakken, maar uitgedrukt als percentage van het bbp kan zij door noemereffecten nog tijdelijk verder oplopen.

Kritische multiplierwaarden voor een negatief schuldeffect van tekortreducerende maatregelen

Zijn de maatregelen structureel dan zal op termijn altijd een trendmatige daling van de schuldquote zichtbaar worden. De schuldaangroei is immers elk jaar lager, terwijl het noemereffect uitgewerkt raakt. Het verloop van de schuldquote ten opzichte van het basispad volgt dan de vorm van een omgekeerde U met een naar beneden weglopende rechterpoot. In dit achtergronddocument onderzoeken we waar het omslagpunt ligt, waarop de nieuwe schuldquote voor het eerst onder die van het basispad uitkomt, oftewel waar het verschil tussen beiden de horizontale as snijdt. Dit omslagpunt hangt van veel factoren af.

De centrale variabele in onze analyse is de omvang van de begrotingsmultiplier. Deze wordt gedefinieerd als de directe verandering in de bbp-volumegroei bij een fiscale inspanning om het overheidstekort met ex ante 1% van het bbp terug te dringen. Een grotere multiplier leidt in eerste instantie tot meer groeiterugval, een groter noemereffect en een omslagpunt dat verder naar de toekomst verschuift.

Over de omvang van deze multiplier lopen de schattingen in de literatuur sterk uiteen (paragraaf 2). Wel duidelijk is dat deze zal verschillen naar gelang de uitgangssituatie van de economie (recessie of oververhitting) en per type van beleidsmaatregelen (uitgavenbeperking of belastingverhoging). Ook monetaire beleidsreacties of de mate van openheid van de economie (weglekeffecten naar het buitenland) kunnen een rol spelen. De multiplier zal daardoor variëren per land en in de tijd.

In dit achtergronddocument onderzoeken we hoe groot de multiplier mag zijn opdat binnen een termijn van een aantal jaar (1, 3, of 5) het omslagpunt is bereikt. Om deze kritische waardes te berekenen, gebruiken we een daartoe ontwikkeld, klein economisch model TREMU (TREshold MUltiplier, paragraaf 3). Dit model is in hoofdlijnen gebaseerd op een recente studie van de ECB1, maar door ons verder uitgewerkt. We passen de berekeningen toe op meest recent beschikbare data voor Nederland (paragraaf 4) en testen de gevoeligheid van de gevonden kritische multiplierwaarde voor een aantal andere modelparameters, zoals de conjunctuurgevoeligheid van de overheidsuitgaven, langere hersteltijd van de begrotingsschok, prijsreacties in de conjunctuur en het mogelijk optreden van hysterese (paragraaf 5). In geval van hysterese wordt een deel van het negatieve effect van de tekortreducerende maatregelen op de economische groei niet meer goed gemaakt en zijn er dus bijkomende economische effecten. Ten slotte bekijken we kort in hoeverre de resultaten voor andere euro landen van die van Nederland zullen verschillen (paragraaf 6).

We kunnen concluderen dat onder normale economische omstandigheden, waarbij de economie zich in de buurt van een evenwichtig groeipad ontwikkelt, tekortreducerende maatregelen in Nederland relatief snel een verbetering van de schuldquote zullen laten zien. Ons land kan zich een hoge begrotingsmultiplier permitteren, voordat de schuldquote gaat oplopen. Zo mag in het referentiescenario de multiplier maximaal 1,5 zijn om na een jaar geen oploop van de schuldquote te zien en ruim 2,5 om binnen 3 jaar een verbetering te zien.2 De gevonden kritische waarden liggen daarmee boven het niveau, welke in de economische literatuur voor de multiplier veelal wordt gevonden. Dat hebben we vooral te danken aan het feit dat onze huidige staatsschuld in verhouding tot het bbp internationaal gezien relatief laag is. Daardoor blijven de noemereffecten beperkt. Bij alternatieve parameterveronderstellingen kunnen deze kritische waarden nog wel lager uitpakken tot maximaal een waarde van 1,0. In andere eurolanden, met name die met een aanzienlijk hogere schuldquote, ligt de kritische multiplierwaarde aanzienlijk lager. In die landen zullen op korte termijn de noemereffecten kunnen domineren, waardoor herstel van de schuldquote pas later zichtbaar wordt.

Lees ook het Centraal Economisch Plan 2017.

Deel deze pagina