25 januari 2006

Trefzekerheid van korte-termijnramingen van het CPB voor de jaren 1971-2004; inclusief vergelijking met negen andere instanties

Verschillen in trefzekerheid van ramingen zijn gering

Persbericht
Er zijn meerdere instanties die ramingen maken voor de ontwikkeling van de Nederlandse economie in het lopende en het komende jaar. De verschillen in trefzekerheid van deze ramingen tussen de diverse instanties waren in de periode 1998-2004 gering.

Tevens blijkt dat in die periode alle onderzochte instanties de economische groei in het komende jaar gemiddeld genomen behoorlijk hebben overschat.

Dit concludeert het Centraal Planbureau (CPB) in het vandaag verschenen CPB Document 'Trefzekerheid van korte-termijnramingen van het CPB voor de jaren 1971-2004; inclusief vergelijking met negen andere instanties'. Jaarlijks onderzoekt het Centraal Planbureau (CPB) de trefzekerheid van zijn eigen korte-termijnramingen door de in het verleden gepubliceerde prognoses te vergelijken met de definitieve realisaties van het CBS. Als speciaal onderwerp wordt deze keer de trefzekerheid van de CPB-ramingen voor de groei van het Nederlandse bruto binnenlands product (BBP) vergeleken met die van negen andere (nationale en internationale) instanties, te weten EC, OESO, IMF, DNB, ABN-AMRO, ING, NIB Capital Bank, Rabobank en Consensus Forecasts.

Uitkomsten 'vergelijkend warenonderzoek'
Het vergelijkend onderzoek beperkt zich tot de ramingen voor de economische groei in het lopende en komende jaar in de periode 1998-2004. De hoofdconclusie luidt dat de verschillen in trefzekerheid tussen de onderscheiden instanties gering zijn. De gemiddelde afwijking van het definitieve realisatiecijfer is bij de meest trefzekere instanties slechts 0,1 à 0,2 procentpunt kleiner dan het gemiddelde van alle instanties. Geen enkele instantie steekt in de periode 1998-2004 voor wat de trefzekerheid betreft duidelijk boven de andere instanties uit.

Bij alle instanties is de voorspelfout bij het ramen van de economische groei in het lopende jaar kleiner dan bij de ramingen voor het komende jaar. Naar verhouding zijn de verschillen in trefzekerheid tussen de onderzochte instanties bij de groeiramingen voor het lopende jaar echter groter dan bij die voor het komende jaar. Dit is opmerkelijk, aangezien de onzekerheden omtrent de economische ontwikkeling in het komende jaar veel groter zijn. Wellicht dat men juist om die reden bij het maken van de raming voor het komende jaar minder vaart op eigen waarnemingen en informatie en juist meer naar elkaar kijkt.

Alle instanties hebben de economische groei in het komende jaar gemiddeld genomen behoorlijk overschat. In het licht van het grote aantal onvoorziene negatieve schokken dat zich in de jaren 2001 t/m 2004 heeft voorgedaan, zoals terroristische aanslagen, geopolitieke spanningen in het Midden-Oosten, epidemieën en boekhoudschandalen, is dat niet zo verwonderlijk.

Uitkomsten trefzekerheid CPB-ramingen
In de jaarlijkse analyse naar de trefzekerheid van de CPB-ramingen staan de ramingen in de Macro Economische Verkenning (MEV) centraal. Daarbij wordt de trefzekerheid geanalyseerd van de ramingen van 13 kerngrootheden van de Nederlandse economie, zoals de economische groei, de inflatie en de groei van de consumptie, de investeringen en de werkgelegenheid.

De gemiddelde voorspelfouten in de periode 1971-2004 van deze kerngrootheden zijn in de meeste gevallen minder dan 0,4 procentpunt, zodat er geen sprake is van systematische over- of onderschatting van betekenis. Dit geldt niet alleen voor de ramingen voor het lopende jaar, maar ook voor die voor het komende jaar. De voorspelfouten in de prijzensfeer zijn in het algemeen kleiner dan die in de volumesfeer. De ontwikkelingen van het volume en de prijs van de relevante wereldhandel blijken naar verhouding het meest lastig te ramen.

De ramingen van de BBP-groei in het komende jaar kennen over de gehele periode genomen een gemiddelde voorspelfout van nul. Wel is het zo dat de groei van het BBP voor jaren met opvallend lage of zelfs negatieve groeicijfers in de regel werd overschat, terwijl voor economisch gezien opmerkelijk goede jaren de economische groei doorgaans werd onderschat.

Bij het berekenen van de gemiddelde voorspelfout zouden forse over- en onderschattingen elkaar kunnen compenseren. Daarom is het ook zinvol te kijken naar de gemiddelde afwijking, dus los van de vraag of het om een over- of onderschatting gaat. Zowel in de periode 1971-2004 als in de meer recente periode 1998-2004 was deze zogenoemde gemiddelde absolute voorspelfout van de BBP-groeiraming voor het lopende jaar 0,7 procentpunt. Voor de raming van de economische groei in het komende jaar is deze gemiddelde absolute voorspelfout ongeveer twee keer zo groot. Dergelijke afwijkingen tussen prognoses en realisaties geven eens temeer aan dat de korte-termijnramingen met aanzienlijke onzekerheden zijn omgeven en met voorzichtigheid moeten worden gebruikt.

Contactpersonen

Lees ook het bijbehorende persbericht.

Belangrijke doelen die we daarmee beogen zijn het trekken van lessen die tot verbetering van de ramingen kunnen leiden en het illustreren van de onzekerheid omtrent de prognoses. De ramingen voor het lopende en komende jaar uit de Macro Economische Verkenningen staan centraal.

In iedere trefzekerheidspublicatie pakken we één of meerdere specifieke punten bij de kop. In dit document zoomen we in op een vergelijking tussen tien nationale en internationale instanties ten aanzien van de trefzekerheid van hun BBP-groeiramingen voor de Nederlandse economie. Instanties die, naast het CPB, in de beschouwing worden betrokken zijn EC, OESO, IMF, DNB, ABN-AMRO, ING, NIB Capital Bank, Rabobank en Consensus Forecasts.

Auteurs

Johan Verbruggen