Kopafbeelding publicaties CPB

Zware beroepen en de pensioenleeftijd

CPB Discussion Paper 291, 30 oktober 2014

Dit Engelstalige Discussion Paper onderzoekt de opvattingen over de relatie tussen de zwaarte van een beroep en de redelijk geachte pensioenleeftijd.

De zwaarte van een beroep blijkt voor veel mensen van belang voor wat een redelijke pensioenleeftijd is en voor de bereidheid om aan vroegpensioenregelingen bij te dragen. Deze bevinding volgt uit eigen onderzoek op basis van enquêtevragen. Op basis van een representatieve steekproef zijn vragen gesteld over de pensioenleeftijd van fictieve personen met vijf verschillende beroepen.

Men is van mening dat mensen met zware beroepen eerder met pensioen moeten kunnen gaan en is daartoe bereid om aan vroegpensioenregelingen bij te dragen om dit mogelijk te maken. Als men de zwaarte van een beroep één standaarddeviatie hoger inschat, komt de redelijke pensioenleeftijd van dat beroep één jaar lager uit en wordt het 30 tot 40 procentpunt waarschijnlijker om voor de vroegpensioenregeling van dat beroep bij te dragen.

Deze relatie is nog steeds aanwezig als wordt gecorrigeerd voor zelfidentificatie. Ook als ze zelf geen soortgelijk beroep hebben, zijn individuen nog steeds bereid om bij te dragen aan pensioenregelingen van zware beroepen. Fysieke belasting blijkt hierin een rol te spelen. Zo zijn respondenten bereid om aan een vroegpensioenregeling van bouwvakkers bij te dragen, ook als ze zichzelf niet identificeren met het beroep van een bouwvakker. Maar het is niet zo dat zelfidentificatie geen invloed heeft. Zo vinden bijvoorbeeld respondenten, die aangeven dat hun beroep lijkt op dat van een leraar, het beroep van een leraar zwaarder.

Meer maatwerk in het pensioenstelsel kan recht doen aan de heersende opvatting om bepaalde zware beroepen te ontzien. Beleidsmakers kunnen op verschillende manieren meer maatwerk introduceren. Wel is het van belang de mogelijke nadelen hiervan in het oog te houden.

Deel deze pagina