De hoofdlijnen van de verkiezingsprogramma’s

Wat zijn in hoofdlijnen de plannen van de politieke partijen, wat zijn de gevolgen van die plannen? Tabel 2.1 geeft daarvan een globaal overzicht, dat in de rest van dit hoofdstuk wordt toegelicht.

Tabel 2.1Samenvattend overzicht

  Basis-
pad
VVD PvdA SP CDA D66 CU GL SGP DENK VNL VP
(a) Gemiddelde % per jaar, 2018-2021.
(b) Laagste inkomens: minder dan 175% bruto minimumloon; hoogste inkomens: meer dan 500% bruto minimumloon.
(c) Relatieve mutatie van de Gini-coëfficiënt in de structurele situatie als gevolg van beleid. Een toename betekent grotere inkomensongelijkheid.
    t.o.v. basispad (behoudens laatste drie regels voor 2021)
                         
EMU-saldo (ex ante, mld euro) 7,5 -7,7 -12,8 -11,8 -10,4 -9,2 -4,8 -11,7 -6,4 2,8 -8,4 -25,2
EMU-saldo (ex ante, % bbp)   -1,0 -1,7 -1,5 -1,3 -1,2 -0,6 -1,5 -0,8 0,4 -1,1 -3,3
EMU-saldo (ex post, % bbp) 0,9 -0,7 -0,9 -0,3 -0,7 -0,8 -0,4 -0,2 -0,3 0,4 -0,8 -5,5
Overheidsschuld (% bbp) 52,3 1,8 1,9 -0,8 1,5 0,8 0,2 -0,8 -0,5 -1,1 1,6 3,6
                         
Bbp-volume (%, a) 1,7 0,3 0,3 0,2 0,3 0,2 0,1 0,2 0,2 0,1 0,4 0,4
Werkloosheid (%-punt) 5,5 -0,4 -1,1 -1,8 -1,0 -0,4 -0,3 -1,1 -0,8 -0,4 -0,4 -1,1
Consumentenprijsindex (%, a) 1,3 0,0 0,3 0,0 0,2 0,3 0,3 0,6 0,4 0,1 -0,2 0,4
                         
Werkgelegenheid marktsector (a) 0,5 0,3 0,1 -0,2 0,2 0,1 0,1 0,1 0,0 -0,1 0,2 0,2
Werkgelegenheid overheid (a) -0,1 0,0 1,8 0,5 0,9 0,9 -0,1 0,9 0,5 -0,5 0,0 -0,6
Werkgelegenheid zorg (a) 2,2 0,4 0,0 1,4 0,1 -0,3 -0,1 0,6 0,0 1,0 -0,2 0,3
                         
Koopkracht (a)                        
Werkenden 0,0 1,2 1,1 2,0 0,7 0,8 1,0 1,3 1,0 0,2 2,2 4,8
Uitkeringsgerechtigden -0,2 -1,2 1,0 3,2 0,1 0,2 0,5 1,3 -0,1 -0,1 0,0 1,1
Gepensioneerden -0,3 0,4 1,7 2,5 0,4 0,7 0,6 1,1 -0,2 0,0 0,3 0,5
Alle huishoudens 0,0 0,7 1,2 2,3 0,6 0,7 0,9 1,2 0,6 0,1 1,6 3,7
                         
Koopkrachtverschillen (a)                        
Laagste t.o.v. hoogste
inkomens (b)
-0,3 -0,4 1,2 4,2 -0,7 0,1 -0,6 1,2 -0,9 0,5 -4,0 -1,0
                         
Houdbaarheid (% bbp) 0,4 -0,1 -1,1 -3,1 -0,8 -0,3 -0,2 -0,3 -0,3 -0,2 -1,0 -6,3
Structurele werkgelegenheid (%)   3,5 0,1 -4,6 -0,3 0,7 -0,2 0,3 -1,4 0,0 0,9 -4,8
Inkomensverdeling (c ) 2,9 2,1 -5,7 -14,4 0,4 -1,7 -1,1 -6,0 0,0 -0,5 12,6 -4,4
                         

De uitkomsten op het gebied van de overheidsfinanciën, de economie en inkomensverdeling op middellange en lange termijn geven inzicht in de afruilen waar partijen voor staan bij het maken van hun keuzes. Pakketten die leiden tot een afname van het EMU-saldo op middellange termijn (eerste blok) vormen in de regel een stimulans voor de economie op middellange termijn (tweede blok). Keuzes van partijen ten aanzien van lastenverlichting en uitgavenverhogingen hebben effect op de werkgelegenheid op middellange termijn: komen extra banen vooral terecht in de marktsector, of bij de overheid of in de zorg (derde blok)? Keuzes van partijen ten aanzien van de omvang en samenstelling van uitgaven en lasten werken verschillend uit voor de koopkracht. Dat geldt ook voor het effect op de koopkracht van specifieke groepen zoals werkenden, uitkeringsgerechtigden en gepensioneerden, maar ook voor die van lage inkomens ten opzichte van hoge (vierde en vijfde blok). Een verkleining van inkomensverschillen op lange termijn gaat in de regel gepaard met een afname van de werkgelegenheid op langere termijn, omdat prikkels om (betaald) te werken afnemen. Een toename van de structurele werkgelegenheid gaat gepaard met een positief effect op de houdbaarheid van de overheidsfinanciën, maar dus veelal ook met een vergroting van de inkomensongelijkheid op lange termijn (zesde blok).

De meeste partijen laten het ex-ante EMU-saldo afnemen ten opzichte van het basispad.

Hierbij is nog geen rekening gehouden met de macro-economische doorwerking van de beleidspakketten. Bij de Vrijzinnige Partij (25 mld euro, -3,3% bbp) is deze afname het grootst. De lastenverzwaring die de partij doorvoert is kleiner dan de verhoging van de uitgaven. De PvdA en SP kiezen voor een combinatie van hogere uitgaven, hogere lasten en een lagere gasproductie. GroenLinks houdt de collectieve lasten ongewijzigd, en verhoogt de uitgaven en verlaagt de gasproductie. CDA, D66, ChristenUnie en SGP verhogen de uitgaven en verlichten de lasten, waarbij D66 en de ChristenUnie ook de gasproductie verminderen. De VVD en VNL kiezen voor een lastenverlichting die groter is dan de ombuiging op uitgaven. Alleen bij DENK neemt het EMU-saldo in 2021 toe (3 mld euro, 0,4% bbp). De partij verhoogt de inkomsten voor de overheid door lastenverzwaring en verhoging van de gasproductie.

Bij de ex-post effecten op het EMU-saldo wordt wel met de macro-economische doorwerking rekening gehouden. Extra uitgaven en lastenverlichtingen stimuleren de economie op de middellange termijn. De toegenomen consumptie en overheidsbestedingen gaan gepaard met een hogere productie en veelal met meer werkgelegenheid en lagere werkloosheid. Door toegenomen looninkomen en consumptie nemen de inkomsten uit loonbelasting en btw toe en door de dalende werkloosheid nemen uitgaven aan uitkeringen af. Deze doorwerkingseffecten beperken zo de initiële afname van het (ex-ante) EMU-saldo, behalve bij de Vrijzinnige Partij. De omzetting van belaste uitkeringen in een onbelast basisinkomen zorgt voor lagere belastingopbrengsten en daarmee een verdere daling van het saldo. De verandering van het ex-post EMU-saldo varieert van een afname van 5,5% bbp voor de Vrijzinnige Partij tot een toename van 0,4% bbp voor DENK. Met uitzondering van de Vrijzinnige Partij komen alle partijen na de macro-economische doorwerking uit op begrotingsevenwicht, of op een positief EMU-saldo.

De effecten van de beleidspakketten op de overheidsschuld in % bbp zijn in eerste instantie afhankelijk van het effect op het EMU-saldo, maar ook het effect van het pakket op het nominale bbp is van belang. Deze effecten kunnen tegen elkaar inwerken: een pakket dat de economie stimuleert door extra uitgaven en lastenverlichting, leidt tot een afnemend EMU-saldo en een oplopende staatsschuld ten opzichte van het basispad. De stimulans leidt tot een groter bbp-volume en in de meeste gevallen tot hogere bbp-prijzen; door dit noemereffect kan, ondanks het afgenomen EMU-saldo, de schuldquote per saldo dalen ten opzichte van het basispad. In de praktijk is dat het geval bij de SP, GroenLinks en de SGP. Bij DENK verbetert de schuldquote door de toename van het EMU-saldo. Bij de overige partijen neemt de schuldquote per saldo toe ten opzichte van het basispad omdat het directe effect van het afgenomen EMU-saldo overheerst. Daarnaast is er bij een aantal partijen een direct opwaarts effect op de schuld door kapitaalinjecties in een investeringsbank (PvdA, SP, CDA, D66, GroenLinks en DENK).

Alle beleidspakketten hebben een positief effect op de gemiddelde bbp-groei in de periode 2018-2021. De meeste partijen geven per saldo een bestedingsimpuls. De kleinste toename van de bbp-groei is terug te vinden bij de ChristenUnie en DENK (0,1% per jaar), en de grootste bij VNL en de Vrijzinnige partij (0,4% per jaar). De grotere groei van de economie gaat over het algemeen gepaard met extra werkgelegenheid in de periode 2018-2021. Daarbij loopt uiteen in welke sector deze gecreëerd wordt. In de marktsector varieert de groei van de werkgelegenheid van 0,3% per jaar bij de VVD, tot -0,2% per jaar bij de SP. De werkgelegenheid bij de overheid groeit het meest bij de PvdA door de publieke banen en daalt het meest bij de Vrijzinnige Partij door apparaatskortingen en bezuinigingen. In de zorg varieert het effect van de beleidspakketten van 1,4% per jaar bij de SP tot -0,3% per jaar bij D66. De effecten van de beleidspakketten op de werkloosheid worden gedreven door de werkgelegenheidsontwikkeling in combinatie met het effect op het arbeidsaanbod. Bij de SP verklaren vooral het lagere arbeidsaanbod en de grotere werkgelegenheid in de zorg de daling van de werkloosheid in 2021.

De mediane koopkracht in de periode 2018-2021 neemt voor alle partijen toe. De toename varieert van 0,1% per jaar voor DENK tot 3,7% per jaar door het basisinkomen van de Vrijzinnige Partij. Voor de overige partijen variëren de verschillen tussen de 0,6% en de 2,3%. Veel partijen voeren lastenverlichtingen door, en een aantal partijen beperkt het eigen risico in de zorg met positieve effecten voor het mediane huishouden. De macro-economische doorwerking van de pakketten op lonen en prijzen is mede bepalend voor de effecten op de koopkracht. Het effect hiervan op de reële contractlonen loopt uiteen van een daling van 0,5% (Vrijzinnige Partij) tot een toename met 0,7% (SP). Alle partijen verbeteren de koopkracht van werkenden ten opzichte van het basispad. Dat geldt niet voor uitkeringsgerechtigden, die er bij de VVD, SGP en DENK op achteruitgaan ten opzichte van het basispad. Bij de meeste partijen, en met name bij de Vrijzinnige Partij, de VVD en VNL gaan werkenden er meer op vooruit dan uitkeringsgerechtigden. Bij GroenLinks gaan beide groepen er evenveel op vooruit. Alleen bij de SP verbetert de koopkracht van uitkeringsgerechtigden sterker dan die van werkenden, onder andere door de verhoging van het minimumloon en de daaraan gekoppelde uitkeringen. Bij alle partijen met uitzondering van de SGP, verbetert de koopkracht van gepensioneerden ten opzichte van het basispad. De grootste toename vindt plaats bij de SP en de PvdA door een hogere ouderenkorting en AOW-uitkering.

Het effect van de beleidspakketten op de inkomensverdeling op lange termijn (gemeten als de procentuele verandering van de Gini-coëfficiënt) en het verschil tussen de laagste en hoogste inkomens in de periode 2018 – 2021 laten vooral bij de SP een afname en bij VNL een toename van de inkomensongelijkheid zien. De afname bij de SP is in belangrijke mate terug te voeren op de invoering van een inkomensafhankelijke zorgpremie en de verhoging van het wettelijk minimumloon. De beleidspakketten van GroenLinks en de PvdA laten ook een afname van de ongelijkheid zien. Zij verhogen onder andere de AOW- en de bijstandsuitkeringen, en verkorten de derde schijf. De toename van de inkomensongelijkheid bij VNL is een gevolg van de vlaktaks en een verlaging van de bijstand en verschillende toeslagen. Ook bij de VVD neemt de inkomensongelijkheid toe door verlaging van de tarieven van de tweede en derde schijf en een ombuiging op de zorg- en huurtoeslag.

Daarnaast zijn er effecten van beleid op het inkomensniveau op lange termijn. Het gaat om kosten voor gezinnen die samenhangen met milieumaatregelen op lange termijn. De genoemde lastenmutatie varieert van een verzwaring van 11,5 mld euro bij GroenLinks tot een lastenverlichting van 2,5 mld euro bij VNL.

De structurele werkgelegenheid is het aantal gewerkte uren op lange termijn, als mensen hun gedrag volledig hebben aangepast aan het nieuwe beleid (voor de meeste maatregelen binnen tien jaar). De verandering van de structurele werkgelegenheid loopt uiteen van een opwaarts effect van +3,5% bij de VVD tot een neerwaarts effect van -4,8% bij de Vrijzinnige Partij en -4,6% bij de SP. Het structurele werkgelegenheidseffect ligt bij de overige partijen tussen de -1,5% en +1%: opwaarts bij VNL, D66, GroenLinks en PvdA, nul bij DENK en neerwaarts bij SGP, CDA en ChristenUnie. De effecten worden gedreven door veranderingen in de sociale zekerheid, de fiscaliteit en de AOW. De grootste verandering in de sociale zekerheid doet zich voor bij de Vrijzinnige Partij door de introductie van het basisinkomen. Dit verkleint per saldo de prikkel om te werken en leidt tot een daling van de structurele werkgelegenheid. Aan de andere kant van het spectrum leiden maatregelen van de VVD ten aanzien van de WW (verkorting, premiedifferentiatie) en de arbeidsongeschiktheid (transitieperiode) tot een toename van de structurele werkgelegenheid. Veranderingen in de fiscaliteit waarbij de inkomstenbelasting wordt gebaseerd op huishoudinkomen, verklaren de daling van de structurele werkgelegenheid bij de SGP. Aan de andere kant dragen lastenverlichtingen via de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting door de VVD bij aan de grootste toename van de structurele werkgelegenheid. De verlaging van de AOW-leeftijd tot 65 jaar verklaart bij de SP een belangrijk deel van het negatieve structurele werkgelegenheidseffect. Aan de andere kant biedt een aantal partijen (VVD, D66, GroenLinks, SGP, en DENK) de mogelijkheid voor – actuarieel neutrale - latere opname van de AOW, hetgeen leidt tot een toename van de structurele werkgelegenheid. De beleidspakketten van de meeste partijen beperken per saldo de kostenverschillen tussen vaste en flexibele werknemers en tussen werknemers en zelfstandigen door aanpassingen in de fiscaliteit en de sociale zekerheid. Alleen de SP en de Vrijzinnig Partij nemen weinig maatregelen op dit terrein.

De houdbaarheid van de overheidsfinanciën meet het verschil tussen de inkomsten en uitgaven van de overheid over een lange tijdshorizon. Bij ongewijzigd beleid is sprake van een positief houdbaarheidssaldo van 0,4% bbp. Dit betekent dat er voor dit bedrag aan financiële ruimte is voor lastenverlichting of uitgavenverhogingen, zonder de continuïteit van de huidige arrangementen in het geding te brengen. Alle partijen maken gebruik van deze ruimte waardoor het houdbaarheidssaldo daalt. Bij vijf partijen, de Vrijzinnige Partij, SP, PvdA, VNL en CDA resulteert een negatief houdbaarheidssaldo. Bij de Vrijzinnige Partij is deze daling het grootst (6,3% bbp), als gevolg van de daling van het EMU-saldo in de periode 2018-2021 door invoering van het basisinkomen. Bij de SP is de daling van 3,1% het gevolg van de intensiveringen in de zorg en van de verlaging van de AOW-leeftijd naar 65 jaar. Dit betekent dat op enig moment in de toekomst moet worden overgegaan tot lastenverhoging of uitgavenverlaging. Bij de overige partijen is de daling kleiner en resulteert een houdbaarheidssaldo dat groter of gelijk is aan nul.

2.1Overheidsbegroting

Deze paragraaf vergelijkt op hoofdlijnen de budgettaire keuzes van partijen in 2021, waarbij de partijen zijn gesorteerd op effectgrootte. De partij die het meest ombuigt dan wel intensiveert in een bepaalde categorie, zoals blijkt uit de tabellen 2.2 en 2.4, wordt als eerste genoemd in de tekst. Het gaat daarbij om ex-ante mutaties, dat wil zeggen dat de effecten van de maatregelen op de economie -en de doorwerking daarvan op het EMU-saldo- niet zijn meegenomen (zie daarvoor paragraaf 2.3). Veel partijen voeren ook maatregelen door waarvan de budgettaire effecten na 2021 nog verder oplopen, bijvoorbeeld vanwege een lang invoeringstraject. Indien maatregelen na 2021 meer (of minder) opleveren of kosten, wordt dit meegenomen in de berekening van de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op lange termijn (zie paragraaf 2.7).

Tien van de elf partijen laten het ex-ante EMU-saldo afnemen ten opzichte van het basispad. Alleen DENK (2,8 mld euro) verbetert ex ante het EMU-saldo in 2021 ten opzichte van het basispad. De partij verhoogt de inkomsten voor de overheid door lastenverzwaring en verhoging van de gasproductie in Groningen. Deze hogere inkomsten wegen op tegen de hogere uitgaven. De Vrijzinnige Partij (25,2 mld euro) laat het EMU-saldo het meest afnemen. Deze partij verzwaart de lasten onvoldoende om de hogere uitgaven te dekken. De PvdA (12,8 mld euro) en de SP (11,8 mld euro) kiezen voor een combinatie van hogere uitgaven, hogere lasten en een lagere gasproductie. GroenLinks (11,7 mld euro) houdt de collectieve lasten ongewijzigd ten opzichte van het basispad, maar kiest wel voor hogere uitgaven en een lagere gasproductie. CDA (10,4 mld euro), D66 (9,2 mld euro), SGP (6,4 mld euro) en ChristenUnie (4,8 mld euro) verhogen de uitgaven en verlichten de lasten met als gevolg een lager EMU-saldo, waarbij D66 en de ChristenUnie ook de gasproductie verminderen. Tot slot kiezen VNL (8,4 mld euro) en VVD (7,7 mld euro) beide voor een lastenverlichting die groter is dan de ombuiging op uitgaven, waardoor het EMU-saldo daalt.

Een aantal partijen (Vrijzinnige Partij, VNL en GroenLinks) neemt maatregelen (respectievelijk basisinkomen, vlaktaks en een omvangrijke verschuiving van lasten op arbeid naar milieu) waarmee de economie op voor het CPB minder bekend terrein belandt, met als gevolg dat de geraamde budgettaire en economische effecten met meer dan de gebruikelijke onzekerheden zijn omringd.

Op VNL en de VVD na verhogen alle partijen in 2021 de overheidsuitgaven ten opzichte van het basispad. De Vrijzinnige Partij kent de grootste verhoging (83,7 mld euro). Het gaat hier voornamelijk om de invoering van een onvoorwaardelijk basisinkomen van tienduizend euro voor alle meerderjarigen, waar geen belasting over hoeft te worden betaald. Hierdoor stijgen de uitgaven aan sociale zekerheid van deze partij met ruim 80 mld euro. De PvdA kent de een-na-grootste verhoging (22,2 mld euro) van de overheidsuitgaven, door in alle bestedingscategorieën te intensiveren. Aan de andere kant van het spectrum buigt VNL voor 18,1 mld euro en de VVD voor 4,3 mld euro om op de overheidsuitgaven. Beide partijen bezuinigen voornamelijk op sociale zekerheid en ontwikkelingssamenwerking.

Tabel 2.2Overheidsuitgaven

  VVD PvdA SP CDA D66 CU GL SGP DENK VNL VP
Totaal EMU-relevante uitgaven -4,3 22,2 15,7 3,9 5,4 0,6 10,0 1,4 8,2 -18,1 83,7
                       
  effect in 2021 t.o.v. het basispad in mld euro
                       
Openbaar bestuur -1,2 1,3 -0,2 -1,2 -1,2 -1,0 0,0 -1,2 -1,2 -1,2 -1,2
Veiligheid 0,7 0,4 1,3 0,4 0,3 0,1 0,2 0,5 -0,4 1,0 -0,1
Defensie 1,0 0,4 -1,0 2,1 0,5 2,0 0,0 3,0 -1,7 5,0 -1,2
Bereikbaarheid 0,5 0,6 0,2 0,0 0,3 0,4 0,9 0,0 1,0 0,3 0,1
Milieu 0,0 1,0 1,0 0,5 0,6 0,8 2,4 0,3 0,0 0,7 0,2
Onderwijs 0,1 2,6 1,2 0,2 3,8 0,6 2,8 0,2 0,9 -4,1 -0,3
Zorg -0,2 3,2 11,0 0,5 -0,6 0,0 4,7 0,2 6,3 -1,6 5,5
Sociale zekerheid -2,7 5,7 2,6 0,2 -0,3 -3,4 -5,1 -1,2 0,5 -10,3 81,5
Overdrachten aan bedrijven 0,4 4,5 -1,0 0,3 0,9 0,4 1,1 0,0 -0,1 -2,5 -0,6
Internationale samenwerking -2,7 2,0 0,5 0,2 1,1 1,0 2,1 0,2 2,1 -4,2 -0,2
Overig -0,2 0,6 0,1 0,7 0,1 -0,2 0,8 -0,5 0,9 -1,1 -0,1
                       

Alleen de PvdA (1,3 mld euro) intensiveert op het openbaar bestuur. GroenLinks houdt de uitgaven ongewijzigd ten opzichte van het basispad. Alle andere partijen bezuinigen op deze uitgaven door een apparaatskorting bij het Rijk, zbo’s en het lokaal bestuur. De intensivering van de PvdA is mede het gevolg van het voornemen om 40 duizend publieke banen te creëren in 2021. VVD, CDA, D66, SGP, DENK, VNL en de Vrijzinnige Partij kiezen voor de maximale apparaatsombuiging op het openbaar bestuur van 1,2 mld euro die het CPB de komende kabinetsperiode realistisch acht (zie paragraaf 15.4). De overige partijen (SP en ChristenUnie) blijven onder dit plafond, of voeren geen apparaatstaakstelling door (PvdA en GroenLinks).

Behalve DENK en de Vrijzinnige Partij willen alle partijen meer uitgeven aan veiligheid. De SP (1,3 mld euro) en VNL (1,0 mld euro) verhogen deze uitgaven het sterkst. DENK bezuinigt 0,4 mld euro en de Vrijzinnige Partij 0,1 mld euro op veiligheid.

De meeste partijen (VNL, SGP, CDA, ChristenUnie, VVD, D66, PvdA) verhogen de defensie-uitgaven. VNL (5,0 mld euro) en de SGP (3,0 mld euro) verhogen deze uitgaven het sterkst. GroenLinks houdt deze uitgaven ongewijzigd ten opzichte van het basispad. DENK (1,7 mld euro) en de Vrijzinnige Partij (1,2 mld euro) kiezen voor de grootste ombuiging.

Het CDA en de SGP houden de uitgaven aan bereikbaarheid ongewijzigd ten opzichte van het basispad. Alle andere partijen verhogen de uitgaven op het terrein van bereikbaarheid. DENK (1,0 mld euro) verhoogt deze uitgaven het meest, door de introductie van gratis openbaar vervoer voor ouderen met lage inkomens en voor bijstandsgerechtigden. Daarna zit de grootste intensivering bij GroenLinks (0,9 mld euro), vooral door extra geld voor aanleg en gebruik van openbaar vervoer.

Alleen de VVD en DENK houden de uitgaven op het gebied van milieu constant ten opzichte van het basispad. Alle andere partijen kiezen voor meer uitgaven. GroenLinks (2,4 mld euro), SP en PvdA (beiden 1,0 mld euro) verhogen deze uitgaven het meest.

Op VNL en de Vrijzinnige Partij na willen alle partijen meer geld uitgeven aan onderwijs. D66 (3,8 mld euro) en GroenLinks (2,8 mld euro) verhogen deze uitgaven het meest, vooral door het verhogen van de lumpsum van het primair, voortgezet en tertiair onderwijs. VNL geeft 4,1 mld euro minder uit aan onderwijs door het verlagen van de lumpsum van zowel het primair, voortgezet als hoger onderwijs.

De zorguitgaven worden door de meeste partijen verhoogd (SP, DENK, Vrijzinnige Partij, GroenLinks, PvdA, CDA en SGP). De SP (11,0 mld euro) en DENK (6,3 mld euro) kiezen voor de grootste intensivering. De overige partijen (VNL, D66 en VVD ) geven minder geld uit aan zorg, of houden de uitgaven per saldo ongewijzigd (ChristenUnie). VNL (1,6 mld euro) en D66 (0,6 mld euro) verlagen deze uitgaven het meest. In paragraaf 2.2 wordt nader ingegaan op de keuzes van partijen op het gebied van zorg.

De meeste partijen (VNL, GroenLinks, ChristenUnie, VVD, SGP en D66) buigen om op de uitgaven aan sociale zekerheid. VNL (10,3 mld euro) en GroenLinks (5,1 mld euro) verlagen deze uitgaven het meest. De overige partijen (Vrijzinnige Partij, PvdA, SP, DENK en CDA) verhogen deze uitgaven. De Vrijzinnige Partij (81,5 mld euro) en de PvdA (5,7 mld euro) kiezen voor de grootste intensivering. De hogere uitgaven van de Vrijzinnige Partij worden veroorzaakt door het eerder genoemde basisinkomen. De intensivering van de PvdA komt onder meer door een verhoging van de kinderopvangtoeslag en de AOW-uitkeringen. Ook de SP, het CDA en GroenLinks kiezen voor hogere AOW-uitkeringen. De VVD aan de andere kant verlaagt alle sociale zekerheidsuitkeringen op de AOW na. VNL verlaagt alleen de bijstand. Verder wordt de ombuiging op de uitgaven aan sociale zekerheid bij VNL onder meer veroorzaakt door het afschaffen van de zorgtoeslag. Ook de SP en GroenLinks schaffen de zorgtoeslag af en verlagen tegelijkertijd de nominale zorgpremie (GroenLinks), of maken deze inkomensafhankelijk (SP). De ChristenUnie en de PvdA nemen een soortgelijke maatregel door de huurtoeslag te laten verrekenen met de huren door woningcorporaties (ChristenUnie) of door de huurtoeslag te vervangen door een nieuw systeem van inkomensafhankelijke huren (PvdA).

De meeste partijen willen op de een of andere manier een flexibele AOW invoeren, waardoor mensen hun AOW zowel eerder als later (PvdA, D66) of later (VVD, GroenLinks, SGP, DENK) kunnen laten ingaan. De SP brengt de AOW-leeftijd weer terug naar 65 jaar en DENK vertraagt de ingroei naar 67 jaar. Ook kiezen verschillende partijen (PvdA, ChristenUnie, GroenLinks en DENK) voor een vorm van een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zzp’ers, en willen VVD, PvdA, D66, ChristenUnie, GroenLinks, SGP en DENK een vorm van een collectieve verzekering voor het tweede jaar loondoorbetaling bij ziekte voor kleine bedrijven introduceren. D66, ChristenUnie en GroenLinks scheiden wonen en zorg in de Wlz, waarbij cliënten die hun woon- en verblijfslasten niet zelf kunnen dragen, worden gecompenseerd.

Op het gebied van werkloosheidsuitkeringen beperkt de VVD onder andere de duur van de WW-uitkering en verlagen de ChristenUnie (in de eerste twee maanden) en de SGP (in het tweede jaar) de WW-uitkering. Verder maken PvdA, D66, GroenLinks en VNL werkgevers verantwoordelijk voor het eerste half jaar WW. Tot slot schaffen PvdA, SP en GroenLinks het jeugdminimumloon af vanaf 18 jaar.

De meeste partijen (PvdA, GroenLinks, D66, ChristenUnie, VVD en CDA) verhogen de overdrachten aan bedrijven. De PvdA (4,5 mld euro) en GroenLinks (1,1 mld euro) trekken hier het meeste extra geld voor uit, door te intensiveren in loonkostensubsidies voor werkgevers. De SGP houdt deze uitgaven ongewijzigd ten opzichte van het basispad. De overige partijen (VNL, SP, Vrijzinnige Partij en DENK) verlagen deze uitgaven. VNL (2,5 mld euro) en de SP (1,0 mld euro) verlagen deze uitgaven het meest. Beide partijen schaffen bovengenoemde loonkostensubsidie af voor werkgevers die werknemers met lage inkomens in dienst hebben. VNL schaft daarnaast ook de WBSO af, een afdrachtsvermindering voor bedrijven die investeren in innovatie.

Op VNL, de VVD en de Vrijzinnige Partij na intensiveren alle partijen op internationale samenwerking. GroenLinks en DENK (beiden 2,1 mld euro) verhogen deze uitgaven het meest. VNL (4,2 mld euro) en de VVD (2,7 mld euro) kiezen voor de grootste ombuiging op ontwikkelingssamenwerking.

De meeste partijen (DENK, GroenLinks, CDA, PvdA, SP en D66) intensiveren in overige uitgaven. De andere partijen verlagen deze uitgaven. De grootste verhoging zit bij DENK (0,9 mld euro) en GroenLinks (0,8 mld euro). DENK verhoogt vooral de uitgaven voor schadecompensatie in verband met de verhoogde gaswinning in Groningen. GroenLinks verhoogt onder andere de uitgaven aan asielopvang en inburgering in Nederland. Het CDA introduceert een algemeen maatschappelijke dienstplicht. De SGP, VNL en VVD buigen om op de overige uitgaven door onder meer de overheidsbijdrage aan de publieke omroep te verlagen.

Tabel 2.3Werkgelegenheid bij overheid en zorg

  Basispad VVD PvdA SP CDA D66 CU GL SGP DENK VNL VP
Totaal 1,1 0,2 0,9 1,0 0,5 0,3 -0,1 0,7 0,3 0,3 -0,1 -0,1
  2018-2021                      
                         
  % per jaar effect op jaarlijkse mutatie in %-punten per jaar
                         
Overheid -0,1 0,0 1,8 0,5 0,9 0,9 -0,1 0,9 0,5 -0,5 0,0 -0,6
Zorg 2,2 0,4 0,0 1,4 0,1 -0,3 -0,1 0,6 0,0 1,0 -0,2 0,3

Budgettaire keuzes 2021

Netto uitgaven- en lastenmutaties (mld euro in prijzen 2017) t.o.v. basispad

Sociale zekerheid

Zorg

Lastenverlichting gezinnen

Lastenverlichting bedrijven

Budgettaire keuzes 2021

Netto uitgaven- en lastenmutaties (mld euro in prijzen 2017) t.o.v. basispad

Openbaar bestuur

Veiligheid en defensie

Onderwijs

Internationale samenwerking

De werkgelegenheid bij de overheid neemt in het basispad licht af onder invloed van de beperkte volumegroei van de uitgaven. De meeste partijen (PvdA, CDA, D66, GroenLinks, SP en SGP) verhogen de werkgelegenheid in de sector overheid in 2021 ten opzichte van dit basispad. Bij de VVD en VNL blijft de werkgelegenheid onveranderd en bij de overige partijen (Vrijzinnige Partij, DENK, ChristenUnie) daalt de werkgelegenheid in deze sector. De grootste stijging zit bij de PvdA, vooral door de introductie van publieke banen. De grootste daling zit bij de Vrijzinnige Partij, vooral door een apparaatskorting. De werkgelegenheid in de sector overheid daalt bij deze partij met 0,6% per jaar ten opzichte van het basispad.

In de zorg is sprake van een duidelijke toename van de werkgelegenheid in het basispad onder invloed van de volumegroei van de uitgaven. Met uitzondering van D66, VNL en ChristenUnie verhogen alle partijen de werkgelegenheid in de zorg, of houden deze constant ten opzichte van dit basispad. De meeste partijen verhogen per saldo de werkgelegenheid in de sector overheid en zorg in 2021. Bij de ChristenUnie, VNL en de Vrijzinnige Partij daalt de werkgelegenheid in deze sector.

Tabel 2.4Lastenontwikkeling

  VVD PvdA SP CDA D66 CU GL SGP DENK VNL VP
Gasbaten 0,0 -0,7 -1,7 0,0 -0,4 -0,4 -1,7 0,0 1,7 0,0 0,0
                       
  mld euro
                       
Inkomen en arbeid -14,2 -1,0 -8,2 -6,1 -10,8 -13,6 -26,4 -15,9 2,9 -20,6 48,6
Vermogen en winst 2,4 5,3 8,8 -0,6 4,1 2,3 6,5 1,6 3,8 -4,7 3,1
Milieu -0,2 5,0 8,5 -0,5 2,8 4,9 18,0 5,3 2,0 3,4 2,0
Overig 0,0 0,7 -3,5 0,7 0,5 2,5 1,9 3,9 0,7 -4,7 4,6
                       
Totaal beleidsmatige lasten -12,0 10,0 5,6 -6,5 -3,4 -3,8 0,0 -5,1 9,3 -26,5 58,4
w.v. gezinnen -14,7 -7,9 -7,6 -5,7 -7,4 -5,6 -3,9 -5,8 5,0 -23,5 51,4
        bedrijven 2,7 17,4 12,6 -0,8 3,8 1,2 2,6 0,0 3,8 -3,0 7,0
        buitenland 0,0 0,5 0,6 0,0 0,2 0,5 1,3 0,7 0,5 0,0 0,0
                       

De meeste partijen (VNL, VVD, CDA, SGP, ChristenUnie en D66) verlagen per saldo de collectieve lasten in 2021 ten opzichte van het basispad. VNL (26,5 mld euro) en VVD (12,0 mld euro) verlagen de lasten het meest, vooral door lagere lasten op inkomen en arbeid. De overige partijen (Vrijzinnige Partij, PvdA, DENK en SP) verhogen de collectieve lasten, waarvan de Vrijzinnige Partij (58,4 mld euro) en de PvdA (10,0 mld euro) kiezen voor de grootste lastenverzwaring. De Vrijzinnige Partij verzwaart vooral de lasten op inkomen en arbeid, samenhangend met de introductie van een basisinkomen. De PvdA verzwaart vooral de lasten op milieu, vermogen en winst. GroenLinks houdt de collectieve lasten per saldo ongewijzigd. Wel kiest deze partij voor een omvangrijke verschuiving van lasten van inkomen en arbeid naar vermogen en winst en vooral milieu. Ook PvdA, SP, D66, ChristenUnie en SGP kiezen voor een dergelijke lastenschuif, zij het van minder grote omvang.

Op DENK en de Vrijzinnige Partij na verlichten alle partijen de lasten voor gezinnen, waarbij VNL (23,5 mld euro) en de VVD (14,7 mld euro) kiezen voor de grootste lastenverlichting. Alleen VNL (3,0 mld euro) en het CDA (0,8 mld euro) verlichten de lasten voor bedrijven. De SGP houdt de lasten voor bedrijven ongewijzigd ten opzichte van het basispad. De overige partijen verzwaren de lasten voor bedrijven, waarbij de PvdA (17,4 mld euro) en de SP (12,6 mld euro) kiezen voor de grootste lastenverzwaring. Op het CDA, DENK, VNL en de Vrijzinnige Partij na kiezen alle partijen voor een verschuiving van lasten van gezinnen naar bedrijven, waarbij vooral de lastenschuif van de PvdA omvangrijk is. Het CDA en VNL verlichten zowel de lasten voor gezinnen als voor bedrijven, terwijl DENK en de Vrijzinnige Partij zowel de lasten voor gezinnen als voor bedrijven verzwaren.

Behalve de Vrijzinnige Partij en DENK verlagen alle partijen de lasten op inkomen en arbeid. GroenLinks (26,4 mld euro) en VNL (20,6 mld euro) kiezen voor de grootste lastenverlichting. De lastenverlichting van GroenLinks komt onder meer door een lagere nominale zorgpremie en het samenvoegen (en verlagen) van de werkgeverspremies arbeidsongeschiktheid, WW en Zvw tot een 'werkgeversheffing collectieve voorzieningen'. De lagere lasten bij VNL komen vooral door de introductie van een vlaktaks in de inkomstenbelasting van 27% voor alle inkomens en alle leeftijdsgroepen. De lastenverzwaring bij de Vrijzinnige Partij (48,6 mld euro) komt door het afschaffen van heffingskortingen en door hogere belastingtarieven. De lastenverzwaring op inkomen en arbeid bij DENK (2,9 mld euro) komt onder meer door het verkorten van de derde schijf in de inkomstenbelasting.

Ook andere partijen voeren stelselwijzigingen door op het gebied van lasten op inkomen en arbeid. Zo vervangt de PvdA de arbeidskorting en de zelfstandigenaftrek door een werknemersvoordeel en een zelfstandigenvoordeel. Daarbij verhoogt de partij het werknemersvoordeel en verzwaart men de werkgeverslasten. Ook D66 voert een werknemersvoordeel in, dat geldt voor alle werkenden zonder zelfstandigenaftrek. De SP maakt de zorgpremie inkomensafhankelijk en de SGP vervangt de algemene heffingskorting door een draagkrachtkorting die afhankelijk is van de samenstelling van het huishouden. Ook introduceert de SGP een splitsingsstelsel, waarin de inkomstenbelasting wordt bepaald op basis van huishoudinkomen in plaats van individueel inkomen. CDA, ChristenUnie en SGP voeren een tweeschijvenstelsel in de inkomstenbelasting in, met één lange schijf met een laag tarief en een daaropvolgende schijf met een hoog tarief voor hoge inkomens.

Veel partijen nemen maatregelen op het gebied van de fiscale behandeling van pensioenen. De grens voor verplichte pensioenopbouw wordt verlaagd door de PvdA (naar twee keer modaal) en D66 (naar maximumdagloon). Tot de huidige aftoppingsgrens van ruim 100.000 euro kan vrijwillig fiscaal gefaciliteerd worden opgebouwd. De aftoppingsgrens voor de aftrekbaarheid van pensioenpremies wordt verlaagd door GroenLinks (naar twee keer modaal), ChristenUnie en SGP (beiden naar anderhalf keer modaal). De SP introduceert een aftopping op het belastingtarief voor premieaftrek, terwijl VNL de fiscale aftrekbaarheid van pensioenpremies volledig afschaft. DENK vergroot de fiscale jaarruimte voor alle werkenden. De PvdA verplicht werknemers en zelfstandigen tot pensioenopbouw tot het niveau van de socialepremiegrens, terwijl het CDA pensioenopbouw als voorwaarde stelt voor behoud van de volledige zelfstandigenaftrek voor zelfstandigen met een inkomen boven 20.000 euro. Andere aanpassingen in het pensioenstelsel zijn het mogelijk maken van vervroegde opname van pensioenaanspraken (D66 en SGP), afschaffing van de doorsneesystematiek (D66, ChristenUnie, SGP en de Vrijzinnige Partij) en invoering van een vaste rekenrente van 3% (Vrijzinnige Partij). 

Op VNL en het CDA na verhogen alle partijen de lasten op vermogen en winst. De SP (8,8 mld euro) en GroenLinks (6,5 mld euro) verzwaren deze lasten het meest. VNL verlicht deze lasten met 4,7 mld euro en het CDA met 0,6 mld euro. De lasten op vermogen en winst bestaan uit een groot aantal verschillende belastingen met een effect op verschillende groepen zoals de box 3 belasting, de erf- en schenkbelasting, de onroerendezaakbelasting (ozb), de vennootschapsbelasting, de bankenbelasting en de verhuurderheffing.

De PvdA, SP, GroenLinks, DENK en de Vrijzinnige Partij vervangen de huidige box 3 belasting door een vorm van een vermogensaanwasbelasting die gepaard gaat met een lastenverzwaring. D66, ChristenUnie en VNL kiezen voor een vorm van een vermogensaanwasbelasting die leidt tot een lastenverlichting. De VVD, CDA en SGP verlagen de belasting in box 3 door een verhoging van het heffingsvrije vermogen. D66, ChristenUnie en de SGP verzwaren de lasten op vermogen en winst door de introductie van een gebruikersdeel in de onroerendezaakbelasting als verruiming van het belastinggebied voor gemeenten, wat gepaard gaat met een verlaging van de inkomstenbelasting.

Op D66 na wijzigen alle partijen de statutaire tarieven in de vennootschapsbelasting. VVD, CDA, ChristenUnie, SGP en VNL verlagen de tarieven en PvdA, SP, GroenLinks, DENK en de Vrijzinnige Partij verhogen de tarieven. Ook beperken alle partijen de renteaftrek door bedrijven. Op VVD en CDA na scherpen alle partijen de maatregel uit de ATAD-richtlijn aan door de drempel te verlagen van 3 mln euro naar 1 mln euro en geen groepsvrijstelling in te voeren. Alleen de SP beperkt de renteaftrek verder tot maximaal 20% van de winst voor rente, belastingen, afschrijvingen en amortisatie (EBITDA). Alle andere partijen beperken de rentaftrek tot maximaal 30%, waarbij D66 en de Vrijzinnige Partij tevens een generieke renteaftrekbeperking invoeren, waardoor slechts 75% van de netto rente aftrekbaar is. PvdA, D66, ChristenUnie, GroenLinks, VNL en de Vrijzinnige Partij voeren een bronbelasting in op uitgaande rente en royalty’s naar landen met een vpb-tarief lager dan 10%, om zo belastingontwijking via Nederland te beperken. De meeste partijen beperken de verhuurderheffing (PvdA, CDA, GroenLinks, VNL), of schaffen deze helemaal af (SP, ChristenUnie, DENK, Vrijzinnige Partij). Alleen de VVD kiest voor een verhoging van de verhuurderheffing.

Veel partijen verhogen belastingen gericht op banken, door het verhogen van de bankenbelasting (PvdA, SP, GroenLinks, DENK), het afschaffen van de aftrek van coco’s (PvdA, SP, D66, ChristenUnie, GroenLinks, SGP en Vrijzinnige Partij), het afschaffen van de aftrek van bijdragen van banken aan het Depositogarantiestelsel en Single Resolution Fund (PvdA) en/of het invoeren van een generieke minimumkapitaalregeling (ChristenUnie, GroenLinks, SGP en Vrijzinnige Partij). Tot slot voeren de SP, DENK en de Vrijzinnige Partij unilateraal een financiële transactiebelasting in op transacties in aandelen, schuldpapier en derivaten.

De belastingen op milieu dalen alleen bij het CDA en de VVD. Bij alle andere partijen gaan ze omhoog. GroenLinks (18,0 mld euro) en de SP (8,5 mld euro) verhogen deze belastingen het meest. GroenLinks kiest voor meerdere lastenverzwaringen, zoals de invoering van een minimumprijs voor CO2-uitstoot en de introductie van kilometerbeprijzing voor zowel personenauto’s als vracht- en bestelauto’s in combinatie met een verhoging van de bpm. Ook PvdA, SP, D66, ChristenUnie, SGP en de Vrijzinnige Partij voeren een vorm van wegbeprijzing in, maar deze partijen kiezen voor varianten die een minder grote lastenverzwaring of lastenneutraal zijn. GroenLinks schaft de belastingvrije reiskostenvergoeding auto voor woon-werkverkeer af. De lastenverzwaring bij VNL bestaat voornamelijk uit het afschaffen van de belastingvrije reiskostenvergoeding voor zowel zakelijk als woon-werkverkeer en voor zowel ov- als autokilometers. Naast GroenLinks voeren ook de PvdA, D66, ChristenUnie en SGP een vorm van een minimumprijs voor CO2-uitstoot in.

De lastenverzwaring op milieu bij de SP wordt voornamelijk veroorzaakt door het invoeren van een CO2-belasting en een verpakkingenbelasting. Het CDA verlaagt de belastingen op milieu met 0,5 mld euro en de VVD met 0,2 mld euro. Zo verlaagt het CDA de verhuurderheffing onder voorwaarde van energiezuiniger bouwen door woningcorporaties en kiest de VVD voor lagere autobelastingen. Alleen het CDA verlaagt de tarieven in de energiebelasting. De meeste partijen (PvdA, SP, D66, ChristenUnie, GroenLinks, DENK, Vrijzinnige Partij) verhogen de tarieven in de energiebelasting. VVD en VNL wijzigen deze tarieven niet. Tot slot voeren PvdA, GroenLinks, SGP en DENK een belasting op vliegtickets in.

De overige belastingen blijven bij de VVD ongewijzigd. Bij VNL en de SP gaan ze omlaag en bij de andere partijen omhoog. De wijzigingen in overige belastingen hangen vooral samen met maatregelen in de btw. De Vrijzinnige Partij (4,6 mld euro) en de SGP (3,9 mld euro) verhogen deze belastingen het meest. De Vrijzinnige Partij verhoogt zowel het lage als het hoge btw-tarief en de SGP beperkt het lage btw-tarief door verschillende categorieën zoals voedingsmiddelen horeca onder het hoge btw-tarief te brengen. VNL verlaagt de overige belastingen met 4,7 mld euro en de SP met 3,5 mld euro. VNL harmoniseert de btw-tarieven op 15% en de SP verlaagt het hoge btw-tarief met 2%-punt tot 19%.

De SP, GroenLinks, PvdA, D66 en de ChristenUnie verlagen de gaswinning in Groningen. SP en GroenLinks kiezen voor de grootste verlaging met 12 mld Nm³. Dat leidt tot een daling van de aardgasbaten van 1,7 mld euro. Structureel is er geen effect op de overheidsbegroting. Alleen DENK verhoogt de gaswinning. De partij kiest voor een verhoging met 12 mld Nm³. Dit verhoogt tijdelijk de opbrengsten voor de overheid met 1,7 mld euro.

2.2Zorg

Bij de zorg beperkt de analyse zich noodgedwongen tot de budgettaire effecten van de voorgenomen maatregelen, dat wil zeggen: de kosten. De baten van zorg, dus de effecten van de maatregelen op gezondheid en kwaliteit van leven, blijven geheel buiten beeld. Dergelijke effecten liggen buiten het expertiseveld van het CPB en zijn bovendien heel moeilijk, zo niet onmogelijk, op een verantwoorde manier te kwantificeren.

Voor generieke ombuigingen geldt de kanttekening dat lagere zorguitgaven leiden tot minder zorg en/of lagere kwaliteit van zorg. Voor generieke intensiveringen geldt het tegenovergestelde. In welke mate zo’n verandering in uitgaven leidt tot een verandering in gezondheid is zoals gezegd niet kwantificeerbaar. Een hoofdlijnenakkoord zonder aanvullende maatregelen die de doelmatigheid van de zorg verbeteren is een voorbeeld van een generieke ombuiging.

In de curatieve zorg kiezen alle partijen behalve de SP ervoor om door te gaan met het stelsel van gereguleerde concurrentie. [1] De SP wil het huidige stelsel omvormen tot een publiek stelsel met centrale aansturing en regionale uitvoerders. Curatieve zorg wordt daarbij een voorziening in plaats van een recht. Deze stelselwijziging maakt het op termijn mogelijk om alternatieve werkwijzen, zoals het buurtzorgconcept, in de curatieve zorg te ontplooien. GroenLinks voert een stelselwijziging in de geestelijke gezondheidszorg (ggz) door en brengt deze als een voorziening onder in een aparte wet.

Alle partijen, behalve DENK en de Vrijzinnige Partij, hebben de intentie om via hoofdlijnenakkoorden de volumegroei in de ziekenhuiszorg en de ggz met 1% te beperken. Het macrobeheersinstrument fungeert daarbij als stok achter de deur.

Ten aanzien van de wijkverpleging hebben vijf partijen (VVD, SP, ChristenUnie, SGP en VNL) de intentie om via een hoofdlijnenakkoord de volumegroei met 1% te beperken. D66 heeft wel de intentie om een hoofdlijnenakkoord af te sluiten, maar beperkt de ombuiging. GroenLinks zondert de wijkverpleging uit van een hoofdlijnenakkoord, terwijl PvdA en CDA ervoor kiezen om in de wijkverpleging te intensiveren.

Een aantal partijen voert wijzigingen door in de beloning en/of arbeidsverhoudingen van medisch specialisten. Zo verplichten vier partijen, SP, D66, ChristenUnie en GroenLinks, medisch specialisten in loondienst te gaan. Deze partijen brengen medisch specialisten tevens onder de Wet normering topinkomens. De PvdA en SGP passen de Wet normering topinkomens toe op medisch specialisten in loondienst, maar leggen geen verplichting op om in loondienst te gaan.

Partijen kijken verschillend aan tegen de wenselijkheid van eigen betalingen in de zorgverzekeringswet. De PvdA, SP, GroenLinks, DENK en de Vrijzinnige Partij schaffen het verplicht eigen risico af. Enkele andere partijen, CDA, ChristenUnie, SGP en VNL verlagen het verplicht eigen risico met respectievelijk 105, 100, 100 en 50 euro. De VVD en D66 passen het eigen risico niet aan. De SP en GroenLinks schaffen naast het verplicht eigen risico ook de mogelijkheid om voor een vrijwillig eigen risico te kiezen af. Tot slot voeren de ChristenUnie en VNL eigen betalingen in voor paramedische zorg en dieetadvisering.

Alle partijen behalve de Vrijzinnige Partij willen de collectieve uitgaven aan geneesmiddelen beperken. Deze partijen kiezen onder andere voor het herberekenen van het geneesmiddelenvergoedingssysteem, waardoor de eigen betalingen stijgen.

Met betrekking tot het basispakket voor verzekerde zorg maken partijen verschillende keuzes. De SP verruimt de aanspraken voor mondzorg, fysiotherapie en ggz. Zo komt mondzorg voor volwassenen in het basispakket en wordt fysiotherapie na verwijzing door de huisarts volledig vergoed. De Vrijzinnige Partij kiest voor een verruiming van de aanspraken op alternatieve zorg.

De VVD, ChristenUnie en VNL kiezen er juist voor om het basispakket te beperken. Zo beperkt de VVD de aanspraken op basis van het ziektelastcriterium, beperkt de ChristenUnie de aanspraken op het gebied van hulpmiddelen en beperkt VNL de aanspraken op het gebied van genees- en hulpmiddelen.

In de langdurige zorg leggen alle partijen behalve SGP en de Vrijzinnige Partij aan zorgkantoren de verplichting op om met zorgaanbieders meerjarige contracten af te sluiten. Dit wordt gecombineerd met de invoering van een (deels) meerjarige contracteerruimte en meerjarige concessies voor zorgkantoren. De VVD en ChristenUnie voeren ook een objectief verdeelmodel in dat de regionale contracteerruimte van de zorgkantoren bepaalt op basis van objectieve criteria. Via dit objectief verdeelmodel korten de VVD en ChristenUnie vanaf 2021 het macrobudget op basis van de afwijking tussen de huidige en door het nieuwe model toegestane uitgaven voor de 25% (VVD) of 50% (ChristenUnie) slechtst presterende regio’s.

Drie partijen - D66, ChristenUnie en GroenLinks - scheiden de financiering van wonen en zorg in de Wlz. Instellingen krijgen voortaan alleen de afgenomen zorg vergoed uit de algemene middelen, terwijl de cliënt het wonen en verblijf zelf betaalt. Voor cliënten die hun woon- en verblijfskosten niet kunnen dragen, is er compensatie. De SGP intensiveert door als enige partij persoonsvolgende bekostiging in te voeren. Als gevolg hiervan mogen zorgkantoren geen productieafspraken meer maken met zorgaanbieders en vergoeden ze landelijk uniforme tarieven per geïndiceerde zorgzwaarte.

De SP intensiveert door de zorgaanbieders verantwoordelijk te maken voor de indicatiestelling. Daarnaast maakt de SP de verzorgingshuiszorg opnieuw beschikbaar voor ouderen met een lichte zorgindicatie (zorgzwaartepakket 1 tot 3) die graag intramurale zorg in natura willen gebruiken.

Met betrekking tot een bezettingsnorm voor de verpleeghuiszorg maken partijen verschillende keuzes. DENK kiest voor een bezettingsnorm in de verpleeghuiszorg van twee zorgmedewerkers per groep van acht bewoners. De SP kiest voor een bezettingsnorm van twee zorg- en welzijnsmedewerkers per groep van acht bewoners. Verder kiezen drie partijen voor een taakstellende intensivering ten behoeve van een nader uit te werken bezettingsnorm die lager ligt dan twee medewerkers per groep van acht bewoners. Hiermee krijgen zorgaanbieders de verplichting en het budget om de huidige bezetting per groep van acht bewoners te verhogen. In volgorde van de omvang van de intensivering (hoog naar laag) gaat het om VVD, GroenLinks en CDA.

Ten slotte kiezen vier partijen, PvdA, D66, ChristenUnie en VNL, voor een algemene intensivering in de ouderenzorg zonder daar een expliciete norm aan te verbinden.

Ook de SGP kiest voor een intensivering zonder een expliciete norm, maar dan voor de hele langdurige zorg, inclusief gehandicaptenzorg.

Tabel 2.5Belangrijkste indicatoren zorg

  Basis VVD PvdA SP CDA D66 CU GL SGP DENK VNL VP
(a) Dit betreft zowel de eigen betalingen onder het eigen risico als eigen bijdragen voor verzekerde curatieve zorg. In het basispad is het eigen risico 430 euro per persoon in 2021 (in prijzen 2017); in lopende prijzen is dit 450 euro. Merk daarbij op dat niet iedereen het eigen risico vol maakt.
                         
    effect in 2021 t.o.v. het basispad in mld euro
Curatieve zorg (Zvw)                        
Collectieve uitgaven (netto) 46,5 -2,0 2,9 7,8 -0,2 -1,1 -0,7 3,0 -0,5 4,1 -1,9 5,1
a.g.v. (budget-)maatregelen   -1,2 -0,8 -1,2 -1,0 -1,1 -1,2 -1,0 -1,1 0,0 -1,2 0,0
        eigen betalingen   -0,3 4,0 4,1 0,9 -0,3 0,7 4,1 0,8 4,2 0,1 4,5
        aanpassing basispakket   -0,3 0,0 4,0 0,0 0,0 -0,1 0,0 0,0 0,0 -0,5 0,7
        overig   -0,2 -0,4 0,8 -0,1 0,3 -0,1 -0,1 -0,2 -0,1 -0,3 0,0
                         
Eigen betalingen (euro p.p., a) 270 0 -260 -260 -60 10 -50 -260 -50 -260 -20 -270
                         
Langdurige zorg (Wlz)                        
Collectieve uitgaven (netto) 20,6 1,8 0,2 2,0 0,3 0,3 0,4 1,8 0,5 1,6 0,3 0,0
a.g.v. (budget-)maatregelen   -0,1 0,4 -0,1 -0,1 0,3 0,5 0,3 0,2 0,0 0,5 0,0
        eigen betalingen   0,2 0,0 -0,3 0,0 0,2 0,0 -0,1 0,0 0,0 0,0 0,0
        overig   1,7 -0,2 2,4 0,4 -0,1 -0,1 1,6 0,3 1,6 -0,2 0,0
                         
Overig (o.a. Wmo/jeugd) 9,1 0,0 0,2 1,2 0,5 0,2 0,3 0,0 0,2 0,5 0,0 0,4
                         
Collectieve uitgaven (netto) 76,2 -0,2 3,2 11,0 0,5 -0,6 0,0 4,7 0,2 6,3 -1,6 5,5
                         

Vier partijen wijzigen de eigen betalingen in de langdurige zorg. De VVD en D66 verlagen de eigen betalingen door de vermogensinkomensbijtelling af te schaffen. De SP en GroenLinks verhogen daarentegen de eigen betalingen in de langdurige zorg. De SP doet dat door het vermogen van de eigen woning mee te tellen in de vermogensinkomensbijtelling, terwijl GroenLinks ervoor kiest het box 3 vermogen volledig mee te tellen in de vermogensinkomensbijtelling.

Bij de overige zorg is de SP de enige partij die een knelpuntenfonds voor gemeenten invoert. Dit knelpuntenfonds compenseert gemeenten, indien nodig, bij het uitvoeren van uniforme, landelijke regels rondom de indicatiestelling en inkoop van maatschappelijke ondersteuning en jeugdzorg.

Met betrekking tot de Wmo/jeugd zijn er tussen partijen beperkte verschillen. Zo kiezen de PvdA, SP, CDA, D66, ChristenUnie, SGP en de Vrijzinnige Partij in verschillende mate voor een verhoging van de Rijksbijdrage.

Tot slot richten twee partijen een gezamenlijk door gemeenten en verzekeraars te beheren preventiefonds op. In volgorde van de omvang van de intensivering (hoog naar laag) gaat het om DENK en ChristenUnie.

2.3Macro-economische effecten

Alle partijen verhogen de bbp-groei over de periode 2018-2021 en verlagen de werkloosheid in 2021 ten opzichte van het basispad. Tabel 2.6 toont deze effecten voor de economische groei (bbp) en verschillende bestedingscategorieën, de arbeidsmarkt en voor de contractlonen en de inflatie. De eerste kolom beschrijft het basispad. De daarop volgende kolommen geven per partij de effecten weer van het beleidspakket op de gemiddelde jaarlijkse groeivoet over de periode 2018-2021 ten opzichte van het basispad. Voor werkloze beroepsbevolking en AIQ wordt het niveauverschil in 2021 weergegeven. Een deel van de economische effecten van de pakketten wordt pas zichtbaar na de periode 2018-2021, zie indicatoren voor de lange termijn.

Alle pakketten hebben een licht positief effect op de bbp-groei. De meeste pakketten geven een impuls aan de economie waardoor het EMU-saldo initieel (ex ante) daalt, alleen bij DENK neemt het saldo in eerste instantie toe. Veel partijen verlichten de lasten voor gezinnen, waardoor zij meer gaan consumeren. Met name bij VNL en VVD is dit zichtbaar. Ondanks de lastenverzwaring voor gezinnen gaat de consumptie ook bij de Vrijzinnige Partij omhoog, omdat het beschikbaar inkomen toeneemt door de invoering van het basisinkomen. Bij DENK daalt de consumptie ten opzichte van het basispad als gevolg van lastenverzwaring voor huishoudens.

Bij alle partijen zijn de overheidsbestedingen gelijk of groter aan die in het basispad. Onder overheidsbestedingen vallen uitgaven aan bijvoorbeeld onderwijs, zorg en openbaar bestuur, uitgaven aan inkomensoverdrachten (zoals uitkeringen, toeslagen, internationale samenwerking) vallen hier niet onder. Hierdoor verschillen de overheidsbestedingen van de overheidsuitgaven, weergegeven in paragraaf 2.1.

De werkgelegenheid in de marktsector kan worden gestimuleerd door meer consumptie van huishoudens, zoals door het VVD-pakket, of worden afgeremd door hogere arbeidskosten, zoals door het SP-pakket. In de zorg en bij de overheid hebben intensiveringen en ombuigingen direct effect op de werkgelegenheid. Zo zorgt de PvdA voor extra banen bij de overheid, door de introductie van publieke banen, terwijl de Vrijzinnige Partij, DENK, en de ChristenUnie het aantal ambtenaren juist verminderen. De werkgelegenheid in de zorg neemt het meest toe bij de SP en DENK.

Alle beleidspakketten zorgen voor een werkloosheid lager dan die in het basispad. De verschillen tussen partijen komen door andere effecten op de werkgelegenheid en het arbeidsaanbod. Aanpassingen op de arbeidsmarkt kosten tijd, waardoor de structurele effecten beschreven in paragraaf 2.7 kunnen afwijken van de effecten op de middellange termijn. Bij een aantal partijen neemt het arbeidsaanbod af (SP, SGP, DENK, Vrijzinnige Partij), dit drukt de werkloosheid. De andere partijen houden het arbeidsaanbod gelijk of verhogen het juist. De grootste toename zit bij de VVD en GroenLinks, door lastenverlichting voor werkenden en in het geval van de VVD door het ontkoppelen van uitkeringen.

Tabel 2.6Macro-economische effecten

  Basis VVD PvdA SP CDA D66 CU GL SGP DENK VNL VP
Arbeidsinkomensquote marktsector 77,9 -0,6 0,5 0,6 0,4 0,0 0,1 -0,4 0,6 0,1 -0,7 -1,0
                         
  effect op jaarlijkse groei in %-punt
Volume bestedingen en productie
Bruto binnenlands product 1,7 0,3 0,3 0,2 0,3 0,2 0,1 0,2 0,2 0,1 0,4 0,4
Consumptie huishoudens 1,1 0,7 0,4 0,5 0,5 0,5 0,5 0,4 0,6 -0,4 1,1 1,4
Overheidsbestedingen 1,3 0,1 1,2 1,6 0,3 0,5 0,2 1,3 0,3 0,7 0,0 0,4
                         
Lonen en prijzen                        
Contractloon marktsector 1,6 -0,4 0,1 0,8 0,3 0,2 0,2 0,8 0,4 0,1 -0,3 -0,1
Consumentenprijsindex 1,3 0,0 0,3 0,0 0,2 0,3 0,3 0,6 0,4 0,1 -0,2 0,4
                         
Arbeidsmarkt                        
Werkgelegenheid (gewerkte uren) 0,7 0,3 0,3 0,1 0,2 0,1 0,1 0,3 0,1 0,0 0,1 0,1
w.v. marktsector 0,5 0,3 0,1 -0,2 0,2 0,1 0,1 0,1 0,0 -0,1 0,2 0,2
                         
  effect op niveau 2021 in %-punten
                         
Werkloze beroepsbevolking 5,5 -0,4 -1,1 -1,8 -1,0 -0,4 -0,3 -1,1 -0,8 -0,4 -0,4 -1,1

De contractlonen in de marktsector stijgen bij de meeste partijen ten opzichte van het basispad, terwijl ze dalen bij de VVD, VNL en de Vrijzinnige Partij. Bij alle partijen zorgt de lagere werkloosheid voor opwaartse druk op de lonen. Ook hogere prijzen zorgen bij veel partijen voor een hoger contractloon. Bij alle partijen nemen de lasten voor de gemiddelde werknemer af, dit heeft een drukkend effect op de lonen. Dit effect is het grootst bij VVD en PvdA. Een groter of kleiner verschil tussen het beschikbaar inkomen van uitkeringsgerechtigden en werkenden (vervangingsratio) heeft ook invloed op de lonen. Bij de SP neemt het verschil af, wat zorgt voor hogere lonen. Bij de andere partijen neemt het verschil toe, wat de contractloonstijging remt.

De inflatie neemt bij de meeste partijen toe. Dit komt door hogere arbeidskosten, toenemende indirecte belastingen en/of stijgende huren. De meeste partijen verhogen de indirecte belastingen, het betreft hier voornamelijk milieumaatregelen. De SP en VNL verlagen de btw, wat de inflatie afremt. De arbeidsinkomensquote neemt het meest toe bij de SP en de SGP door hogere arbeidskosten, terwijl hij bij de Vrijzinnige Partij juist met 1,0%-punt daalt door hogere productiviteit.

Bbp-volume

Effecten t.o.v. het basispad 2018-2021, gemiddeld % per jaar

Werkloosheid

Effecten t.o.v. het basispad 2021, %-punt

2.4Overheidssaldo en overheidsschuld

Alle partijen hebben in 2021 een EMU-saldo van nul of hoger, behalve de Vrijzinnige Partij. In het basispad heeft het EMU-saldo in 2021 een overschot van 0,9% bbp. Alle partijen behalve DENK verlagen met hun pakketten – de ex-ante bedragen uit paragraaf 2.1– dit saldo. Deze pakketten met per saldo lastenverlichting en/of intensivering van de overheidsuitgaven beïnvloeden vervolgens de economie. Dit macro-economische doorwerkingseffect zorgt samen met de initiële impuls voor de uiteindelijke verandering van het EMU-saldo. Voor alle partijen behalve DENK betekent dit een verlaging van het EMU-saldo ten opzichte van het basispad.

De doorwerkingseffecten verschillen per maatregel en tussen de partijen zijn de verschillen in de effecten van macro-economische doorwerking groot. De variatie hangt voor een groot deel samen met het soort maatregelen in een pakket met verschillende effecten op consumptie, werkgelegenheid, lonen en werkloosheid.

Intensiveringen in de zorg of het ambtenarenapparaat hebben een relatief groot doorwerkingseffect dat de afname van het EMU-saldo verkleint. Door een hogere werkgelegenheid lopen de opbrengsten van de inkomensheffing op, dalen de kosten voor werkloosheidsuitkeringen en neemt de consumptie van huishoudens toe, waardoor de btw-opbrengsten stijgen.

Een lastenverlaging voor huishoudens heeft kleinere doorwerkingseffecten. Bij lagere belastingen hebben huishoudens meer te besteden, wat zorgt voor meer consumptie. Meer bestedingen leiden tot een hogere economische groei. Hierdoor nemen de belasting- en premie-inkomsten toe en de uitgaven aan werkloosheidsuitkeringen af, waardoor de initiële daling van het EMU-saldo deels teniet wordt gedaan. Omdat huishoudens een gedeelte van hun lagere lasten sparen in plaats van consumeren, en het tijd kost voor de hogere vraag zich heeft vertaald in extra banen, is de korte-termijndoorwerking op de economie kleiner dan bij intensiveringen in de zorg of bij de overheid.

De effecten door macro-economische doorwerking kunnen behoorlijk variëren in de tijd. Uitgaven hebben vooral op de korte termijn grote doorwerkingseffecten; hogere uitgaven vertalen zich direct in een hoger bbp en dus meer werkgelegenheid. Na verloop van tijd zwakken deze effecten af. Bij lasten is het effect van de doorwerking in de eerste jaren relatief klein, maar dit effect loopt op wanneer de arbeidsmarkt zich aanpast. Pakketten die het arbeidsaanbod afremmen (met name SP, SGP en Vrijzinnige Partij), zorgen op de korte termijn voor een lagere werkloosheid en verhogen daarmee het EMU-saldo. De effecten op de werkloosheid zijn vaak tijdelijk van aard, omdat de lage werkloosheid zorgt voor hogere lonen, waardoor de arbeidsvraag geleidelijk afneemt. Blijvende effecten van een lager arbeidsaanbod via een structureel lagere werkgelegenheid op de overheidsfinanciën worden meegenomen in de houdbaarheidsanalyse.

Het doorwerkingseffect is positief voor alle partijen behalve voor de Vrijzinnige Partij. Bij de SP en GroenLinks is dit effect relatief groot ten opzichte van de initiële impuls, zij verdienen meer dan 1% bbp terug door gunstige economische ontwikkelingen. De SP intensiveert met name in werkgelegenheid in de zorg, terwijl GroenLinks schuift van belasting op inkomen en arbeid naar indirecte belastingen. De PvdA, CDA en SGP verdienen tussen 0,5% en 1% bbp terug, mede door extra inkomsten van de inkomensheffing en minder uitgaven aan werkloosheidsuitkeringen. De doorwerkingseffecten van D66, VVD, VNL, ChristenUnie zijn beperkt tot maximaal 0,5% bbp. Bij DENK verbetert het saldo na de initiële impuls verder met 0,1% bbp. Bij de Vrijzinnige Partij zorgt de omzetting van belaste uitkeringen in een onbelast basisinkomen voor een verdere afname van het saldo.

Het structurele EMU-saldo in 2021 voldoet bij de meeste partijen aan de middellangetermijndoelstelling (MTO) van -0,5% bbp, alleen bij de Vrijzinnige Partij ligt deze hier ruim onder. Voor de meeste partijen ligt de verandering van het structurele saldo in de buurt van de verandering van het EMU-saldo. Alleen bij GroenLinks en de Vrijzinnige Partij is de afwijking groter dan 0,2% bbp. Dit komt door de timing van hun maatregelen met omvangrijke wijzigingen (verlagen van de gasproductie, respectievelijk invoering basisinkomen) in 2021. Ook ligt het feitelijke EMU-saldo voor geen van de partijen, behalve de Vrijzinnige Partij, in 2021 onder de -3% bbp.

Tabel 2.7Overheidstekort en overheidsschuld in 2021

  VVD PvdA SP CDA D66 CU GL SGP DENK VNL VP
EMU-schuld inclusief effect pakket (% bbp) 54,0 54,2 51,4 53,8 53,1 52,5 51,4 51,8 51,2 53,8 55,9
                       
EMU-saldo (% bbp, basispad) 0,9 0,9 0,9 0,9 0,9 0,9 0,9 0,9 0,9 0,9 0,9
Initieel effect pakket (% bbp) -1,0 -1,7 -1,5 -1,3 -1,2 -0,6 -1,5 -0,8 0,4 -1,1 -3,3
Doorwerkingseffect pakket (% bbp) 0,3 0,7 1,2 0,7 0,4 0,2 1,3 0,5 0,1 0,3 -2,2
EMU-saldo inclusief effect pakket (% bbp) 0,2 0,0 0,6 0,2 0,1 0,5 0,7 0,6 1,3 0,1 -4,6
                       
Structureel EMU-saldo (% bbp, basispad) 0,6 0,6 0,6 0,6 0,6 0,6 0,6 0,6 0,6 0,6 0,6
Effect pakket -0,6 -0,8 -0,3 -0,7 -0,7 -0,5 0,2 -0,5 0,4 -0,9 -5,8
Structureel EMU-saldo inclusief effect
pakket (% bbp)
0,0 -0,2 0,3 -0,1 -0,1 0,2 0,8 0,1 1,0 -0,3 -5,2
                       
EMU-schuld (% bbp, basispad) 52,3 52,3 52,3 52,3 52,3 52,3 52,3 52,3 52,3 52,3 52,3
Effect pakket 1,8 1,9 -0,8 1,5 0,8 0,2 -0,8 -0,5 -1,1 1,6 3,6

De schuldquote als % bbp daalt per saldo bij vier partijen ten opzichte van het basispad (SP, GroenLinks, SGP en DENK). Bij de andere partijen neemt de schuldquote toe, maar blijft voor alle partijen in 2021 onder de 60%. Bij de meeste partijen stijgt de overheidsschuld door verslechtering van het overheidssaldo ten opzichte van het basispad, behalve bij DENK. Een aantal partijen geeft kapitaalinjecties voor een investeringsbank: PvdA voor 11 mld euro, CDA voor 4 mld euro en D66, DENK, GroenLinks en SP voor minder dan 1 mld euro. De middelen hiervoor komen direct ten laste van de overheidsschuld en worden niet meegenomen in de berekening van het EMU-saldo. Aan de andere kant zorgt de toename van het nominale bbp (de noemer van de schuldquote) bij alle partijen voor een drukkend effect op de quote. Het nominale bbp kan zowel toenemen door grotere economische groei, als door hogere bbp-prijzen.

Begrotingssaldo

Effecten t.o.v. het basispad 2021, % bbp

2.5Koopkrachteffecten

Koopkracht betreft de verandering van het besteedbaar huishoudinkomen van jaar op jaar. In het basispad wordt de verandering teweeggebracht door economische omstandigheden en door reeds besloten beleid. Het effect van een partij betreft de verandering in koopkracht van huishoudens ten opzichte van het basispad. Deze verandering wordt teweeggebracht door een direct effect van de maatregelen van een partij én door een indirect effect dat deze maatregelen hebben op de nominale contractlonen en consumptieprijzen (inflatie).

Mediane koopkracht

Effecten t.o.v. het basispad 2018-2021, gemiddeld % per jaar

Tabel 2.8Mediane koopkrachteffecten van beleidspakketten, gemiddeld per jaar over 2018-2021

  Omvang (a) Basis (b) Effect beleidspakket (c)
(a) Percentage van totaal aantal huishoudens in 2018.
(b) Mediane statische koopkrachtmutaties exclusief incidentele inkomensmutaties. Het betreft het gemiddelde van de koopkrachtmutaties in 2018, 2019, 2020 en 2021.
(c) Effect beleidspakket als mediaan van de koopkrachtveranderingen op individueel niveau. Deze kan afwijken van het verschil van de medianen omdat die niet bij elkaar opgeteld mogen worden.
(d) Bruto inkomen uit arbeid of uitkering op huishoudniveau; bruto minimumloon (wml) is in 2018 ongeveer 20.500 euro.
(e) De indeling naar inkomensbron is op basis van de hoogste inkomensbron op huishoudniveau, waarbij een huishouden waarvan hoofd of partner winstinkomen heeft, bij werkenden wordt ingedeeld. Huishoudens met vroegpensioen of studiefinanciering als hoogste inkomensbron zijn uitgezonderd.
(f) Bij de koopkrachtmutatie van werkenden wordt geen rekening gehouden met incidentele mutaties van het loon, zoals het ontvangen of wegvallen van bonussen.
(g) De indeling naar gezinssamenstelling is op basis van aanwezigheid van kinderen tot 18 jaar en is exclusief huishoudens van gepensioneerden.
      VVD PvdA SP CDA D66 CU GL SGP DENK VNL VP
                           
  % totaal % per jaar
Inkomensniveau (d)                      
<175% wml 36 -0,1 0,2 1,6 2,7 0,2 0,6 0,4 1,3 -0,1 0,0 -0,2 1,7
175-350% wml 38 -0,1 1,1 1,1 2,5 0,7 0,8 1,1 1,6 0,8 0,3 1,9 4,6
350-500% wml 15 0,1 1,1 1,0 1,0 0,9 0,8 1,2 0,9 0,8 0,0 2,6 4,3
>500% wml 11 0,2 0,6 0,4 -1,5 0,9 0,5 1,0 0,1 0,8 -0,5 3,8 2,7
                           
Inkomensbron (e)                      
Werkenden (f) 63 0,0 1,2 1,1 2,0 0,7 0,8 1,0 1,3 1,0 0,2 2,2 4,8
Uitkeringsgerechtigden 9 -0,2 -1,2 1,0 3,2 0,1 0,2 0,5 1,3 -0,1 -0,1 0,0 1,1
Gepensioneerden 26 -0,3 0,4 1,7 2,5 0,4 0,7 0,6 1,1 -0,2 0,0 0,3 0,5
                           
Huishoudtype                      
Tweeverdieners 52 0,0 0,9 1,2 2,4 0,7 0,8 1,0 1,4 0,5 0,2 2,0 4,2
Alleenstaanden 43 0,0 0,6 1,2 2,2 0,4 0,6 0,6 1,1 0,6 0,0 0,7 2,0
Alleenverdieners 5 -0,3 0,4 0,8 2,2 0,9 0,4 1,3 1,0 2,8 0,0 1,8 7,9
                           
Gezinssamenstelling (g)                      
Met kinderen 26 0,0 1,1 1,5 2,0 0,7 0,7 0,9 1,1 0,7 0,6 1,8 4,0
Zonder kinderen 49 0,0 0,9 1,0 2,3 0,7 0,7 1,0 1,3 0,9 0,1 2,3 4,9
                           
Alle huishoudens 100 0,0 0,7 1,2 2,3 0,6 0,7 0,9 1,2 0,6 0,1 1,6 3,7
                           

Veel fiscale, sociale zekerheids- en Zvw-maatregelen worden in de koopkracht meegenomen, maar daarnaast wordt een aantal maatregelen alleen via inflatie meegenomen terwijl andere maatregelen in het geheel niet kunnen worden meegenomen (zie toelichting aan het einde van de paragraaf). Maatregelen die direct meegenomen worden, betreffen tarieven, premies, kortingen, toeslagen en aftrekposten (box 1), vermogen (box 3), uitkeringshoogte, Zvw-maatregelen zoals premies, verplicht eigen risico en omvang van het basispakket, en kindregelingen. Bepaalde maatregelen kunnen niet aan specifieke huishoudens toegewezen worden en komen alleen tot uiting in de inflatie. Voorbeelden betreffen huren, belastingen zoals op energie en vliegreizen en accijnzen zoals op alcohol en tabak.

Het effect van partijen op de koopkracht van het mediane huishouden varieert van 0,1% per jaar voor DENK tot 3,7% per jaar voor de Vrijzinnige Partij. De reële contractlonen hebben direct invloed op de koopkracht van werkenden. Het effect van de voorgestelde beleidspakketten op de reële contractlonen in de marktsector heeft voor veel partijen een effect van -0,2% tot 0,2% op de koopkracht. Uitzonderingen betreffen de SP met een stijging van 0,7% en de VVD en de Vrijzinnige Partij met een daling van respectievelijk 0,4% en 0,5% (zie de paragraaf over macro-economische effecten voor een bespreking van de nominale contractlonen en de inflatie).

Veel partijen voeren lastenverlichtingen door waarvan veel huishoudens voordeel hebben. Voorbeelden betreffen een verhoging van de algemene heffingskorting (VVD, PvdA, SP, D66, ChristenUnie, GroenLinks), een draagkrachtkorting (SGP), een nieuwe belastingvrije voet (VNL, Vrijzinnige Partij), een verlaging van het tarief eerste schijf (SP, D66 en ChristenUnie) en een vlaktaks van 27% (VNL). De Vrijzinnige Partij voert een basisinkomen in en dat leidt tot een verbetering van de koopkracht. Bij een aantal partijen ondervindt het mediane huishouden ook voordeel van wijzigingen in de zorgregelingen. De SP en GroenLinks schaffen het verplicht eigen risico en de zorgtoeslag af en verlagen de Zvw-premie. Ook PvdA, DENK en de Vrijzinnige Partij schaffen het verplicht eigen risico af. Bij de laatste twee partijen ondervindt een deel van de huishoudens minder voordeel daarvan omdat ze minder zorgtoeslag gaan ontvangen, terwijl de PvdA dit effect meer dan tegengaat door de zorgtoeslag te verhogen.

Over alle inkomenscategorieën bezien is het verschil tussen laagste en hoogste inkomens het grootst bij de SP ten gunste van de laagste inkomens en bij VNL ten gunste van de hoogste inkomens. Het herverdelende effect bij de SP komt mede door de invoering van een inkomensafhankelijke Zvw-premie en de verhoging van het wettelijk minimumloon. Ook bij PvdA, GroenLinks en D66 gaan de laagste inkomens er meer op vooruit dan de hoogste inkomens. Deze partijen voeren lastenverlichtingen door gericht op de onderkant, terwijl de lengte van de derde schijf wordt ingekort en PvdA en GroenLinks ook de tarieven aan de bovenkant verhogen. Ook verhogen deze twee partijen de bijstand. Vooral bij VNL, maar daarnaast ook bij de Vrijzinnige Partij, SGP, CDA, ChristenUnie en VVD gaan de laagste inkomens er minder op vooruit dan de hoogste inkomens. Bij VNL is dat een gevolg van de vlaktaks en bij CDA, ChristenUnie en SGP speelt de invoering van een tweeschijvenstelsel een rol. De VVD en VNL verlagen daarnaast de bijstand en verschillende toeslagen.

De meeste partijen verbeteren de mediane koopkracht van werkenden ten opzichte van uitkeringsgerechtigden. Vooral bij de Vrijzinnige Partij, de VVD en VNL gaan werkenden er meer op vooruit dan uitkeringsgerechtigden. Bij de Vrijzinnige Partij is het basisinkomen vooral voordelig voor werkenden. Het beleidspakket van de VVD is gunstig voor werkenden, terwijl de koopkracht van uitkeringsgerechtigden erop achteruitgaat door een verlaging van de bijstand en een bevriezing van alle uitkeringen (behalve de AOW). Bij VNL gaan zowel werkenden als de uitkeringsgerechtigden erop vooruit door de vlaktaks, maar bij uitkeringsgerechtigden wordt dit effect gedrukt door het afschaffen van de zorgtoeslag, de ombuigingen in de huurtoeslag en de verlaging van de bijstand. Bij de PvdA verbetert de koopkracht van uitkeringsgerechtigden bijna net zo sterk als de koopkracht van werkenden en bij GroenLinks gaan beide groepen er evenveel op vooruit. Alleen bij de SP verbetert de koopkracht van uitkeringsgerechtigden sterker dan voor werkenden, door de verhoging van het minimumloon en de daaraan gekoppelde uitkeringen.

Slechts enkele partijen verbeteren de mediane koopkracht van gepensioneerden ten opzichte van werkenden. Alleen bij de SP en PvdA gaan gepensioneerden erop vooruit ten opzichte van werkenden door een hogere ouderenkorting en een hogere AOW. Bij de Vrijzinnige Partij, VNL en SGP gaan werkenden er relatief sterk op vooruit ten opzichte van de gepensioneerden. Bij de Vrijzinnige Partij is het basisinkomen voor werkenden voordeliger dan voor gepensioneerden. VNL en SGP fiscaliseren de AOW-premie waarbij het effect op de koopkracht van gepensioneerden bij VNL deels wordt gecompenseerd door de vlaktaks.

Bij de meeste partijen blijft het verschil tussen tweeverdieners, alleenstaanden en alleenverdieners minder dan 0,5%. Uitzonderingen betreffen Vrijzinnige Partij, VNL en SGP. Bij de Vrijzinnige Partij en de SGP gaan alleenverdieners er relatief sterk op vooruit, wat een gevolg is van het basisinkomen, respectievelijk het splitsingsstelsel. Ook bij de ChristenUnie en het CDA verbetert de koopkracht van alleenverdieners meer dan voor andere groepen, en dat komt voor een belangrijk deel door een uitbreiding van de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting. De koopkrachtontwikkeling van alleenstaanden blijft bij alle partijen behalve bij PvdA en SGP iets achter bij die van tweeverdieners.

Ook tussen gezinnen met en zonder kinderen zijn de verschillen voor de meeste partijen minder dan 0,5%. Bij PvdA en DENK is de koopkrachtontwikkeling gunstiger voor gezinnen met kinderen, bij VNL en de Vrijzinnige Partij voor gezinnen zonder kinderen. Deze verschillen worden deels verklaard door maatregelen zoals kinderbijslag en kinderopvang, waarop veel partijen beleid voeren. Maar deels spelen ook samenstellingseffecten een belangrijke rol; zo zijn huishoudens met kinderen relatief vaak tweeverdieners en huishoudens zonder kinderen zijn relatief vaak alleenstaanden.

Maatregelen die in het geheel niet meegenomen kunnen worden, betreffen veranderingen in de persoonlijke inkomenssituatie en specifieke groepen. Bij een verandering in de persoonlijke inkomenssituatie is niet bekend welke personen in een bepaalde situatie terecht gaan komen (zie begrippenlijst voor een bespreking van het statische koopkrachtbegrip). Een voorbeeld betreft de introductie van een ziekte- of arbeidsongeschiktheidsregeling voor zelfstandigen, omdat niet bekend is wie van de zelfstandigen ziek of arbeidsongeschikt worden en dus onder de regeling zullen vallen. Een ander voorbeeld betreft het verlagen van de AOW-leeftijd. Weliswaar is duidelijk dat personen van een bepaalde leeftijd dan AOW zullen ontvangen, maar het is niet duidelijk of ze daarnaast blijven werken en hoeveel ze dan verdienen. Nog meer voorbeelden betreffen lagere WW-uitkeringen voor nieuwe gevallen en lagere pensioenen voor toekomstige gepensioneerden door aftopping, in beide situaties is het niet mogelijk om oude en nieuwe situaties te onderscheiden. Bij specifieke groepen treedt het probleem op dat ze niet te onderscheiden zijn in de gegevensbestanden waarop de koopkrachtberekeningen zijn gebaseerd. Voorbeelden betreffen beleid met betrekking tot de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de Wet langdurige zorg (Wlz), omdat niet bekend is wie welke ondersteuning nodig heeft en wie tot de kwetsbare ouderen, mensen met een handicap en mensen met een psychische aandoening horen. Een ander voorbeeld betreft het afschaffen van de kinderopvangtoeslag voor doelgroepouders omdat niet geobserveerd is welke huishoudens tot deze groep horen.

2.6Langetermijn­beleidseffecten op inkomens en inkomensverdeling

Om de langetermijneffecten van maatregelen evenwichtig in kaart te brengen, wordt naast de effecten op werkgelegenheid en overheidsfinanciën ook naar de effecten op de inkomensverdeling op de lange termijn gekeken. Als maatstaf wordt de relatieve mutatie van de Gini-coëfficiënt als gevolg van beleid gehanteerd. De Gini-coëfficiënt is een veel gebruikte indicator voor inkomensongelijkheid, waarmee de mate van ongelijkheid wordt uitgedrukt in een getal tussen nul (volledig gelijke verdeling) en één (volledig ongelijke verdeling).

Tabel 2.9Langetermijneffecten van beleid op de inkomensverdeling

+ = grotere inkomensongelijkheid Basis Effect beleidspakket (b)
(a) Basispad geeft de relatieve mutatie van de Gini-coëfficiënt waarbij doorlopend beleid is afgekapt in 2060.
(b) Effect beleidspakket geeft de relatieve mutatie van de Gini-coëfficiënt door het beleidspakket in de structurele situatie waarbij doorlopend beleid is afgekapt in 2060.
(c) In formule: (verandering in de Gini-coëfficiënt) / (Gini-coëfficiënt in het basispad).
  (a) VVD PvdA SP CDA D66 CU GL SGP DENK VNL VP
                         
  %
                         
Relatieve mutatie in de Gini-coëfficiënt (c) 2,9 2,1 -5,7 -14,4 0,4 -1,7 -1,1 -6,0 0,0 -0,5 12,6 -4,4
                         

In het basispad neemt de Gini-coëfficiënt toe met 2,9% na 2021, vooral door lagere belastingtarieven in de tweede, derde en vierde schijf, beperking van de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting, en verlaging van de bijstand.

Het effect van partijen betreft de relatieve mutatie van de Gini-coëfficiënt door het beleidspakket ten opzichte van het langetermijnbasispad. Het effect van partijen op de inkomensongelijkheid varieert van -14,4% bij de SP tot +12,6% bij VNL. De afname bij de SP komt onder andere door het sterke herverdelende effect van de inkomensafhankelijke zorgpremie, het verkorten van de derde schijf, en het verhogen van het minimumloon. Ook bij GroenLinks, de PvdA, en de Vrijzinnige Partij is de afname van de Gini-coëfficiënt groter dan de toename in het basispad. GroenLinks en de PvdA verhogen onder andere de AOW en de bijstand, verkorten de derde schijf en verhogen de algemene heffingskorting. De Vrijzinnige Partij introduceert een basisinkomen en verhoogt daarbij de ouderenkorting voor lagere inkomens. Bij D66, de ChristenUnie en DENK is eveneens sprake van een afname van de Gini-coëfficiënt, maar is de afname kleiner dan de toename in het basispad. Bij de SGP blijft de Gini-coëfficiënt ten opzichte van het basispad gelijk.

Bij VNL, de VVD en het CDA is sprake van een toename van de Gini-coëfficiënt ten opzichte van het basispad. VNL introduceert onder andere een vlaktaks, schaft de (inkomensafhankelijke) algemene heffingskorting en de zorgtoeslag af, en verlaagt de huurtoeslag. De VVD verlaagt de tarieven van de tweede en derde schijf, en buigt om op de zorg- en huurtoeslag. Bij het CDA wordt de toename onder andere veroorzaakt door de introductie van een tweeschijvenstelsel, via verlaging van het tweede, derde en vierde schijftarief in het huidige stelsel.

Inkomensongelijkheid

Effecten t.o.v. het basispad, relatieve mutatie Gini-coëfficiënt in %

Veel fiscale, sociale zekerheids- en Zvw-maatregelen worden bij de berekening van de Gini-coëfficiënt wel meegenomen, maar voor een aantal maatregelen geldt dat niet. Het betreft maatregelen die tot veranderingen in de persoonlijke inkomenssituatie leiden en maatregelen voor specifieke groepen (zie paragraaf koopkracht voor een aantal voorbeelden). De berekening van de Gini-coëfficiënt wijkt daarnaast op een tweetal onderdelen af van de berekening van de koopkracht. Ten eerste betreft de berekening van de Gini-coëfficiënt de lange termijn en maatregelen die na de periode 2018-2021 doorwerken, worden vanzelfsprekend wel meegenomen. Dit betreft onder andere de verandering van de tarieven in box 1 en de afbouw van de hypotheekrenteaftrek. Ten tweede worden bij de Gini-coëfficiënt maatregelen die alleen gelden voor nieuwe gevallen, wel meegenomen, omdat op de lange termijn iedereen daaronder valt. Dus lagere WW-uitkeringen voor nieuwe gevallen en lagere pensioenen voor toekomstige gepensioneerden door aftopping worden wel meegenomen.

Naast effecten van beleid op de langetermijninkomensverdeling zijn er effecten van beleid op het inkomensniveau bijvoorbeeld als gevolg van milieumaatregelen die niet elders zichtbaar worden. Het gaat hierbij om de verhoging van de ODE‐heffing ter financiering van de SDE+‐uitgaven en om niet‐EMU‐relevante lastenverzwaringen (bijvoorbeeld verplichting tot energiezuiniger maken van woningen). Deze lastenverzwaringen zijn verondersteld relevant te zijn voor gezinnen, omdat deze op de lange termijn op hen zullen worden afgewenteld. De genoemde lastenverzwaring na 2021 is het grootst voor GroenLinks (11,5 mld euro) en D66 (5,5 mld euro). Ook de ChristenUnie en de SP verhogen de lasten (beiden 5 mld euro). VNL verlicht de lasten als gevolg van genoemde milieumaatregelen na de kabinetsperiode met 2,5 mld euro, terwijl er bij de andere partijen (VVD, PvdA, CDA, SGP, DENK, Vrijzinnige Partij) geen of slechts kleine mutaties zijn.

2.7Structurele werkgelegenheidseffecten

De structurele werkgelegenheid is het aantal gewerkte uren op de lange termijn, wanneer mensen hun gedrag volledig hebben aangepast aan het nieuwe beleid. Daarbij wordt een conjunctureel neutrale economie verondersteld. Deze structurele werkgelegenheid is een belangrijke bepalende factor van de toekomstige economische groei en van het houdbaarheidssaldo: als er meer uren worden gewerkt in de economie, dan zorgt dit voor meer economische groei en hogere belastinginkomsten.

De gevolgen van de partijvoorstellen op de structurele werkgelegenheid verschillen van de arbeidsmarkteffecten binnen de kabinetsperiode. Op korte termijn wordt de werkgelegenheid vooral bepaald door de arbeidsvraag. Een bestedingsimpuls veroorzaakt een hogere arbeidsvraag en daarmee een hogere werkgelegenheid. Op de lange termijn wordt het aantal gewerkte uren echter vooral beïnvloed door het aantal uren dat mensen (betaald) willen werken, verminderd met de evenwichtswerkloosheid. [2] Maatregelen die het inkomensverschil tussen werken en niet-werken (of tussen meer en minder uren werken) vergroten, leiden daarom op lange termijn tot een hogere structurele werkgelegenheid. Een hogere arbeidskorting zorgt bijvoorbeeld voor een hogere structurele werkgelegenheid, net als lagere uitkeringen en minder (inkomensafhankelijke) toeslagen, terwijl deze laatste maatregelen op korte termijn de werkgelegenheid niet stimuleren.

Tabel 2.10Procentuele toe- of afname van de structurele werkgelegenheid in uren ten opzichte van het basispad

  VVD PvdA SP CDA D66 CU GL SGP DENK VNL VP
(a) Procentuele verandering ten opzichte van het basispad. Door afronding kan het totaal afwijken van de som van de onderdelen.
(b) 0,1% staat ongeveer gelijk aan 7000 fulltime banen.
                       
Werkgelegenheid (a,b) 3,5 0,1 -4,6 -0,3 0,7 -0,2 0,3 -1,4 0,0 0,9 -4,8
w.v. fiscaal 1,4 0,4 -1,3 -0,1 0,3 -0,1 0,2 -1,9 -0,2 0,4 -0,6
        sociale zekerheid en arbeidsmarktbeleid 1,8 0,0 -1,2 -0,2 0,2 -0,1 -0,3 0,0 -0,2 0,5 -4,2
        AOW-leeftijd 0,4 -0,4 -2,2 0,0 0,2 0,0 0,4 0,4 0,4 0,0 0,0
                       

De toe- of afname van de structurele werkgelegenheid loopt uiteen van een opwaarts effect van +3,5% bij de VVD tot een neerwaarts effect van -4,8% bij de Vrijzinnige Partij en -4,6% bij de SP. Het structurele werkgelegenheidseffect ligt bij de meeste partijen tussen de -0,5% en +1%: opwaarts bij PvdA, D66, GroenLinks en VNL, nul bij DENK en neerwaarts bij CDA en ChristenUnie. De SGP kent een daling van 1,4%.

Bij vrijwel alle partijen blijft de stijging van de AOW-leeftijd op lange termijn onveranderd ten opzichte van het basispad. Alleen de SP brengt in 2020 de AOW-gerechtigde leeftijd terug tot 65 jaar en laat die in de jaren daarna niet meestijgen met de levensverwachting. Dit verlaagt de structurele werkgelegenheid. Veel andere partijen bieden mensen, via een flexibele AOW-leeftijd, de keuze voor eerdere of latere opname van de AOW. Dit doen zij, met uitzondering van de PvdA, actuarieel neutraal. Daardoor is de uitkering lager als mensen de AOW eerder laten ingaan en hoger als ze hem later laten ingaan. Bij de VVD, GroenLinks, SGP en DENK kunnen mensen alleen kiezen voor (maximaal drie jaar) latere opname, wat leidt tot een toename van de structurele werkgelegenheid. Bij de PvdA en D66 is zowel eerdere als latere ingang van de AOW mogelijk. Bij de PvdA is dit drie jaar eerder of later. Doordat meer mensen kiezen voor eerdere opname, verlaagt dit de structurele werkgelegenheid. Bij D66 is de keuze tussen maximaal een jaar eerder of vijf jaar later. Ook hier zullen meer mensen kiezen voor eerdere opname, maar het totaal aantal gewerkte uren neemt toe vanwege de asymmetrie.

Structurele werkgelegenheid

Effecten t.o.v. het basispad, % in gewerkte uren

De grootste verandering in de sociale zekerheid doet zich voor bij de Vrijzinnige Partij, die een onvoorwaardelijk basisinkomen introduceert ter vervanging van de meeste andere uitkeringen. Iedere Nederlander van 18 jaar en ouder ontvangt jaarlijks tienduizend euro, waarover geen belasting afgedragen hoeft te worden. Dit bedrag ontvangen mensen ongeacht of ze betaald werk verrichten of niet, wat de prikkel om te (blijven of gaan) werken verkleint. De resulterende daling van de structurele werkgelegenheid wordt deels gecompenseerd doordat een basisinkomen de armoedeval verkleint; mensen hoeven immers geen uitkering meer in te leveren als ze werk vinden.

Andere partijen treffen in de sociale zekerheid maatregelen op het gebied van de bijstand, WW, arbeidsongeschiktheid en loondoorbetaling bij ziekte. VVD en VNL verlagen de bijstand; PvdA, SP(via koppeling aan de minimumloonverhoging) en GroenLinks verhogen hem juist. Meerdere partijen versoberen de WW en verhogen daarmee de structurele werkgelegenheid: de VVD verkort de WW-uitkering; de SGP verlaagt de WW-uitkering in het tweede WW-jaar stapsgewijs, en bij beide bouwen mensen ook minder WW-rechten op. De ChristenUnie verlaagt het maximumdagloon en beperkt de uitkering in de eerste twee maanden. Met betrekking tot de WW-premies laten PvdA, D66, GroenLinks en VNL werkgevers betalen voor het eerste (half-)jaar WW-uitkering van hun werknemers; VVD, PvdA en D66 introduceren premiedifferentiatie in de WW. Deze maatregelen verhogen de structurele werkgelegenheid.

Meerdere partijen versoberen de arbeidsongeschiktheidsverzekering en verhogen daarmee de structurele werkgelegenheid. Dit geldt vooral voor de VVD die het loongerelateerde gedeelte in de WIA vervangt door een transitieperiode (die afhankelijk is van de benodigde re-integratie-inspanningen) en daarna de WIA-uitkering verlaagt naar 70% van het wettelijk minimumloon. Tevens scherpt de VVD net als CDA, ChristenUnie en VNL de claimbeoordeling aan en VVD en VNL schaffen de tegemoetkoming voor arbeidsongeschikten af. De ChristenUnie verlaagt het maximumdagloon. PvdA, ChristenUnie, GroenLinks en DENK introduceren een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen, wat de structurele werkgelegenheid verlaagt.

Veel partijen collectiviseren de loondoorbetaling bij ziekte in het tweede ziektejaar voor kleine bedrijven. [3] Dit verlaagt de structurele werkgelegenheid licht, maar dat is voornamelijk een statistisch effect: zieke werknemers in hun tweede ziektejaar worden momenteel door het CBS gerekend tot de werkgelegenheid, en worden onder deze verandering geteld als niet-werkend. Het CDA en de ChristenUnie introduceren een verplichte verzekering tegen ziekte voor zelfstandigen, die de structurele werkgelegenheid ook enigszins drukt.

Met hun arbeidsmarktbeleid beïnvloeden de partijen vooral de werkgelegenheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Zo verhogen VVD, PvdA, SP, D66, ChristenUnie, GroenLinks en DENK de structurele werkgelegenheid via meer beschutte werkplekken. [4] VVD, PvdA, D66, ChristenUnie en GroenLinks [5] combineren dit met het uitbreiden van loonkostensubsidies voor mensen met een verdiencapaciteit onder het minimumloon. SP en VNL schaffen deze loonkostensubsidies juist af. Verhoging van het wettelijk minimumloon met 10% (SP) verkleint de werkgelegenheid aan de onderkant, net als de afschaffing van het wettelijk minimumjeugdloon vanaf 18 jaar (PvdA, SP en GroenLinks). De VVD bevriest het wettelijk minimumloon juist door het los te koppelen van de stijging in de contractlonen. Bij CDA, VNL en de Vrijzinnige Partij heeft de afschaffing of beperking van re-integratie door gemeenten en/of UWV een neerwaarts effect op de structurele werkgelegenheid. VVD, PvdA, D66, GroenLinks en DENK verhogen de structurele werkgelegenheid door meer face-to-face begeleiding bij het UWV.

Veel partijen breiden de mogelijkheden voor verlof uit. Het gaat om verlenging van zwangerschapsverlof (ChristenUnie en Vrijzinnige Partij), het geboorteverlof (alle partijen met uitzondering van VVD, SGP en VNL) en het zorgverlof (DENK en ChristenUnie). Dergelijke verlofmaatregelen verlagen het aantal uren dat gewerkt wordt in de economie.

Alle partijen nemen maatregelen in de sfeer van belastingen en inkomensafhankelijke

regelingen (zie rij ‘fiscaal’ in bovenstaande tabel), die via een verandering van de gemiddelde en marginale druk op arbeid effect hebben op de werkgelegenheid. De omvang van de structurele werkgelegenheidseffecten is afhankelijk van de vormgeving van de belastingverhoging of –verlaging. Generieke belastingverlagingen hebben relatief weinig effect op de structurele werkgelegenheid. Het verlagen van de schijftarieven beïnvloedt bijvoorbeeld vooral de keuze voor het aantal uren per week dat gewerkt wordt, maar deze keuze is relatief ongevoelig voor financiële prikkels. Beleid dat gericht het inkomensverschil tussen werken en niet werken vergroot, zoals het verhogen van de arbeidskorting, de kinderopvangtoeslag voor werkende ouders of het verminderen van inkomensafhankelijke regelingen, is effectiever in het bevorderen van de arbeidsparticipatie. [6] Fiscale prikkels gericht op tweede verdieners en alleenstaande ouders hebben ook meer effect dan generieke maatregelen, omdat deze groep relatief gevoelig is voor financiële prikkels.

Generieke veranderingen van de tarieven en schijven van box 1 hebben alleen effect op structurele werkgelegenheid als zij substantieel zijn, zoals in het geval van VNL (verlaging naar vlaktaks van 27%) en Vrijzinnige Partij (verhoging in vijfschijvenstelsel). Kleinere veranderingen in de schijven of tarieven (alle ander partijen), of aanpassingen van de algemene heffingskorting (VVD, PvdA, SP, D66, ChristenUnie en GroenLinks) hebben kleine effecten op de structurele werkgelegenheid. Het neerwaartse effect van de introductie van de belastingvrije voet bij VNL is groter, omdat dit om een groter bedrag gaat. Maatregelen die de tweede verdiener raken, hebben een relatief grote invloed op de structurele werkgelegenheid bij eenzelfde budgettaire impuls. Het splitsingsstelsel (SGP) en de herinvoering van de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting voor gezinnen met jonge kinderen (CDA en ChristenUnie) verlagen daardoor bijvoorbeeld de structurele werkgelegenheid. Verhoging van de arbeidskorting (VVD, PvdA, SP, D66, GroenLinks en DENK) vergroot het inkomensverschil tussen werken en niet-werken en vergroot daarmee de structurele werkgelegenheid. Verlaging van de arbeidskorting (VNL en Vrijzinnige Partij) verkleint de structurele werkgelegenheid. De PvdA vervangt de arbeidskorting door een (hoger) werknemersvoordeel, wat de structurele werkgelegenheid vergroot.

Inkomensafhankelijke regelingen beïnvloeden het inkomensverschil tussen meer en minder werken sterker dan generieke maatregelen. Dit geldt bijvoorbeeld voor de zorg- en huurtoeslag. Partijen die de huurtoeslag verlagen (VVD, PvdA en VNL) of de zorgtoeslag afschaffen (GroenLinks en VNL), verhogen daarmee de structurele werkgelegenheid. [7] De zorgtoeslag vervangen door nog sterkere inkomensafhankelijke zorgpremies (SP) verlaagt de structurele werkgelegenheid juist. Het inkomensafhankelijk maken van de kinderbijslag (SP, D66 en DENK), het verschuiven van budget van de (niet-inkomensafhankelijke) kinderbijslag naar het (inkomensafhankelijke) kindgebonden budget (GroenLinks en VNL), of alleen verhoging van het kindgebonden budget (CDA en ChristenUnie) verkleint de structurele werkgelegenheid. De inkomensafhankelijke combinatiekorting stimuleert de arbeidsparticipatie van de tweede verdiener en alleenstaande ouders met jonge kinderen. Verhoging hiervan (VVD, PvdA, D66, GroenLinks en DENK) vergroot de structurele werkgelegenheid, terwijl afschaffing (Vrijzinnige Partij) juist een neerwaarts effect heeft.

Niet alleen het niveau van de structurele werkgelegenheid, maar ook de samenstelling over vaste en flexibele werknemers wordt beïnvloed door de voorgestelde beleidsmaatregelen. Werkgevers kunnen onder de huidige regelgeving kosten besparen door mensen in te huren als zzp’er of in een flexibel dienstverband. [8] De SP, CDA en de Vrijzinnige Partij nemen geen maatregelen die deze prikkel voor werkgevers om werknemers aan te nemen op een flexibel in plaats van een vast dienstverband, beïnvloeden. Abstraherend van maatregelen op het gebied van ontslagbescherming, [9] verandert deze prikkel bij andere partijen vooral door werkgevers te laten betalen voor het eerste (half-)jaar WW (PvdA, D66, GroenLinks en VNL) en, afhankelijk van de precieze vormgeving, door de introductie van naar bedrijf gedifferentieerde WW-premies (VVD, PvdA en D66). Bedrijven die meer werknemers de WW laten instromen, moeten dan meer betalen. Ook collectivisering van loondoorbetaling bij ziekte voor kleine bedrijven (alle partijen behalve SP, CDA, VNL en Vrijzinnige Partij) vermindert de kostenverschillen tussen vaste en flexibele werknemers.

Ook het verschil tussen werknemers en zelfstandigen verandert door de partijvoorstellen. Alleen de SP en de Vrijzinnige partij nemen vrijwel geen maatregelen om deze verschillen te verkleinen. De meeste andere partijen verkleinen de fiscale verschillen. PvdA en D66 doen dit door naast de zelfstandigenaftrek/-voordeel een werknemersvoordeel te introduceren; andere partijen doen dit door de zelfstandigenaftrek af te schaffen (VNL), te beperken (ChristenUnie, SGP en Vrijzinnige Partij) of te koppelen aan de pensioenopbouw (CDA), of door de mkb-winstvrijstelling af te schaffen (GroenLinks en VNL) of te verlagen (PvdA en SGP). Verschillen in (kosten voor) sociale zekerheid worden verkleind door de inperking van de werknemersverzekeringen (VVD, SGP en VNL), verlaging van de WW- en Aof-premies (D66, ChristenUnie, GroenLinks en SGP), het aftoppen van pensioenopbouw of het beperken van verplichte pensioenopbouw (PvdA, SP, D66, ChristenUnie, GroenLinks, SGP en VNL), of juist door het introduceren van een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering (PvdA, ChristenUnie, GroenLinks en DENK), verplichte pensioenopbouw (PvdA) of loonverzekering bij ziekte (CDA en ChristenUnie) voor zelfstandigen. Daartegenin werkt in dit opzicht de verplichting voor werkgevers om het eerste (half-)jaar WW te betalen (D66, GroenLinks en VNL), de verhoging van werkgeverspremies (PvdA), de verhoging van het minimumloon (SP) of de verhoging van de MKB-winstvrijstelling (DENK).

2.8Houdbaarheid overheidsfinanciën

Door vergrijzing van de bevolking, wegvallende gasbaten en de effecten van beleid kan de situatie van de overheidsfinanciën op lange termijn verschillen van die op korte termijn of binnen de kabinetsperiode. De analyse van de houdbaarheid van de overheidsfinanciën meet het verschil tussen de inkomsten en uitgaven van de overheid over een lange tijdshorizon. Bij ongewijzigd beleid is sprake van een positief houdbaarheidssaldo van 3 mld euro (zie bovenste deel van tabel 2.11, eerste regel). Dit betekent dat er voor dit bedrag aan financiële ruimte is voor lastenverlichting of uitgavenverhogingen, zonder de continuïteit van de arrangementen in het geding te brengen.

Tabel 2.11Houdbaarheid overheidsfinanciën

  VVD PvdA SP CDA D66 CU GL SGP DENK VNL VP
(a) Onder AOW en pensioen vallen maatregelen betreffende AOW-premie, AOW-uitkering, pensioenpremie, pensioenuitkering en ouderenkorting. Onder Wonen vallen maatregelen betreffende huurtoeslag, hypotheekrenteaftrek, eigenwoningforfait, overdrachtsbelasting, verhuurderheffing en ozb voor gebruikers. Onder Zorg vallen maatregelen betreffende zorguitgaven, zorgpremies, eigen bijdragen en zorgtoeslag. We onderscheiden deze maatregelen vanwege de gevoeligheid voor vergrijzing en de mate van doorwerking na de kabinetsperiode.
                       
  mld euro
                       
Houdbaarheid basispad 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3
Effect beleidspakket -1 -8 -24 -6 -3 -2 -2 -2 -2 -7 -48
idem in % bbp -0,1 -1,1 -3,1 -0,8 -0,3 -0,2 -0,3 -0,3 -0,2 -1,0 -6,3
Houdbaarheid inclusief beleidspakket 2 -5 -21 -3 0 1 0 0 1 -5 -45
idem in % bbp 0,2 -0,7 -2,8 -0,4 0,0 0,1 0,1 0,0 0,1 -0,6 -5,9
                       
Effect op houdbaarheid, binnen de kabinetsperiode en daarna
Effect op EMU-saldo in 2021 -5 -7 -3 -5 -6 -3 -2 -3 3 -6 -42
Effecten na 2021 4 -1 -21 -1 3 1 0 1 -5 -1 -6
                       
Effect op houdbaarheid, selectie van beleidsdossiers (a)
AOW en pensioenen 0 -3 -12 -1 -1 1 1 2 1 10 -2
Wonen 2 0 -1 0 4 2 2 2 -2 10 0
Zorg 0 -5 -14 0 2 2 -11 0 -9 9 -2
Overig -3 0 3 -5 -7 -6 6 -7 8 -36 -43
                       

Alle partijen maken gebruik van deze ruimte (zie het bovenste deel van de tabel, tweede regel). Bij vijf partijen, de Vrijzinnige Partij, SP, PvdA, VNL en CDA, resulteert een negatief houdbaarheidssaldo (zie laatste regel van bovenste deel). Dit betekent dat op enig moment in de toekomst moet worden overgegaan tot lastenverhoging of uitgavenverlaging. De Vrijzinnige Partij gaat hierin het verst: bij deze partij bedraagt het houdbaarheidssaldo 45 mld euro, ofwel 5,9% bbp, negatief.

Bij een aantal partijen (VVD, D66, de ChristenUnie en de SGP) heeft het beleidspakket binnen de kabinetsperiode een neerwaarts effect op het EMU-saldo, maar volgt er daarna herstel naar houdbare overheidsfinanciën (zie het middelste deel van de tabel). Bij de VVD leiden de belastingverlagingen en versoberingen in de sociale zekerheid in de kabinetsperiode per saldo tot een negatief effect op het EMU-saldo in 2021, maar dit wordt later gecompenseerd door de vertraagde doorwerking ervan op de werkgelegenheid en de sociale zekerheidsuitgaven. Ook bij D66, de ChristenUnie en de SGP is het lagere EMU-saldo in 2021 voor een belangrijk deel het gevolg van lastenverlichting. De oorzaak van het herstel erna verschilt. Bij D66 en de ChristenUnie is dit door de doorwerking van ombuigingen in de zorg en bij de SGP wordt het verschil in lastenverlichting met het basispad na de kabinetsperiode kleiner. Bij GroenLinks is het lagere houdbaarheidssaldo een gevolg van de hogere uitgaven in de periode 2018-2021 en is er daarna geen verandering meer.

De PvdA, SP, het CDA, VNL en de Vrijzinnig Partij behalen, in verschillende mate, zowel binnen de kabinetsperiode als erna, een negatief effect op de houdbaarheid. Bij deze partijen is het resulterende houdbaarheidssaldo negatief.

DENK behaalt een positief effect op het EMU-saldo in 2021. Deze partij houdt ook een positief houdbaarheidssaldo ondanks een negatief effect op de houdbaarheid na de volgende kabinetsperiode, vooral door oplopende zorguitgaven.

Effect op houdbaarheid

Effecten t.o.v. het basispad, % bbp

De verschillen tussen de partijen op het gebied van de zorg zijn groot (zie regel zorg in de tabel). De houdbaarheidsbijdrage in de zorg varieert van -14 mld euro bij de SP tot +9 mld euro bij VNL. Hierin zijn zowel de maatregelen meegenomen die de zorguitgaven, als de financiering van de zorg betreffen. De PvdA, SP, GroenLinks, DENK en de Vrijzinnige Partij schaffen het eigen risico in de Zvw af; het CDA, de ChristenUnie, de SGP en VNL verlagen het. Dit belast de houdbaarheid, omdat niet is voorzien in een compenserende premiestijging. Enkele partijen breiden het basispakket in de Zvw uit (SP)of intensiveren in de intramurale zorg (SP, GroenLinks, DENK). Bij GroenLinks is daarnaast per saldo sprake van een verlaging van de zorglasten, met name door een lagere nominale zorgpremie. VNL realiseert vooral een positieve houdbaarheidsbijdrage door afschaffing van de zorgtoeslag. Afsluiting van een Hoofdlijnenakkoord in combinatie met het macrobeheersinstrument en enkele kleinere ombuigingen resulteren bij D66 en de ChristenUnie in een positief effect op de houdbaarheid.

Op het beleidsdossier van de AOW en de pensioenen (zie regel AOW en pensioenen in de tabel) zijn de verschillen eveneens groot. De SP verhoogt de AOW-uitkering en brengt bovendien de AOW-leeftijd terug tot 65 jaar en handhaaft deze leeftijd in latere jaren, en bereikt daarmee een negatief houdbaarheidseffect van 12 mld euro. De pensioenrichtleeftijd blijft gekoppeld aan de levensverwachting, dus de opbouw van aanvullend pensioen wordt niet verruimd. Kleinere negatieve houdbaarheidseffecten worden bereikt door de PvdA die de AOW-uitkering verhoogt en de mogelijkheid van vervroegde opname van de AOW biedt (waardoor de werkgelegenheid en de belastinginkomsten dalen), en door de Vrijzinnige Partij door verhoging van de ouderenkorting. VNL schaft de aftrekbaarheid van pensioenpremies volledig af en dat geeft een positief houdbaarheidseffect van 10 mld euro. Bij een aantal partijen zijn er relatief kleine positieve houdbaarheidseffecten door beperking van de fiscale facilitering van het pensioensparen (ChristenUnie, GroenLinks en SGP) en het bieden van de mogelijkheid van latere opname van de AOW (GroenLinks, SGP, en DENK) wat tot extra werkgelegenheid en belastinginkomsten leidt.

Bij het beleidsdossier wonen (zie regel wonen in de tabel) zijn de verschillen wat kleiner. Positieve houdbaarheidseffecten worden bereikt door VNL die de aftrekbaarheid van hypotheekrente geheel afschaft en D66 dat de hypotheekrentefaftrek beperkt en tevens een ozb voor gebruikers invoert. Ook de ChristenUnie en de SGP behalen een positief houdbaarheidseffect door invoering van een ozb voor gebruikers, en de VVD door vooral verhoging van de verhuurderheffing. Bij GroenLinks wordt de eigen woning gedefiscaliseerd waardoor de huidige fiscale subsidie door de hypotheekrenteaftrek vervalt. Het, zonder compensatie, afschaffen van de verhuurderheffing door DENK en de SP heeft een negatief effect op de houdbaarheid.

De grootste houdbaarheidseffecten worden buiten de hierboven besproken beleidsdossiers gerealiseerd (regel overig in de tabel). Ook de verschillen tussen de partijen zijn hier het grootst en dit betreft vooral maatregelen op het gebied van de belastinghefing. Een positieve houdbaarheidsbijdrage wordt behaald door de SP, GroenLinks en DENK. Dit komt vooral door hogere lasten in box 3 van de inkomstenbelasting, een verhoging van de belastingdruk van vennootschappen en hogere milieuheffingen, zoals de kilometerheffing en energiebelastingen. De overige partijen, met uitzondering van de Vrijzinnige Partij, verlagen juist de lasten in box 1 van de inkomstenbelasting. Bij VNL is de belastingverlaging het grootst, met name door de invoering van een vlaktaks. Het negatieve houdbaarheidseffect van de Vrijzinnige Partij is nagenoeg volledig toe te rekenen aan de invoering van een onvoorwaardelijk basisinkomen.

De partijen verschillen ook in het effect van hun beleidspakket op de werkgelegenheid. Ook dit heeft invloed op de houdbaarheid omdat hierdoor de omvang van de belastingbasis en de belastingopbrengsten veranderen. Deze invloed is meegenomen in bovenstaande uitkomsten. Positief is de invloed bij de VVD met een effect op de houdbaarheid van 8 mld euro (1,0% bbp), VNL en D66 met 2 mld euro (0,2% bbp) en GroenLinks met 1 mld euro (0,1% bbp). Bij de PvdA en DENK is de invloed te verwaarlozen. Negatief is het effect bij de Vrijzinnige Partij met -10 mld euro (-1,3% bbp), de SP met -9 mld euro (-1,2% bbp), de SGP met -3 mld euro (-0,4% bbp) en het CDA en de ChristenUnie met -1 mld euro (-0,1% bbp).

Voor wijzigingen in de financiering van het zorgstelsel zie paragrafen 2.1 en 2.5 en hoofdstuk 14.
Op lange termijn ontstaat er werkgelegenheid zolang bedrijven winst kunnen maken door het beschikbare arbeidsaanbod in dienst te nemen, of wanneer mensen als zelfstandige een eigen bedrijf starten. Alleen voor mensen met een verdiencapaciteit onder het minimumloon ontstaat deze werkgelegenheid niet vanzelf en kan vraaggericht beleid op de lange termijn werkgelegenheid creëren, via bijvoorbeeld beschutte werkplaatsen of loonkostensubsidies (zie ook Kansrijk Arbeidsmarktbeleid).
PvdA, ChristenUnie, GroenLinks en DENK doen dit voor bedrijven tot tien werknemers, VVD en D66 tot 25 werknemers en SGP tot 50 werknemers.
De publieke banen die de PvdA creëert en de extra banen in de zorg bij de SP hebben alleen op de korte tot middellange termijn gevolgen voor de werkgelegenheid. Deze banen hebben een loonniveau boven het wml en worden dus vervuld door mensen die op lange termijn elders in de economie een baan zouden vinden. Op lange termijn hebben deze banen dus geen werkgelegenheidseffecten.
GroenLinks verandert de grondslag voor de WW-premies door het maximumdagloon als premiegrens te laten vervallen en simultaan een franchise in te bouwen, waardoor het onderste deel van het inkomen grotendeels premievrij wordt. Dit is een impliciete loonkostensubsidie aan de onderkant van de arbeidsmarkt.
Zie Kansrijk Arbeidsmarktbeleid deel 1.
GroenLinks schaft ook het eigen risico af en de nominale premie wordt verlaagd, wat de structurele werkgelegenheid verlaagt, per saldo resulteert een licht opwaarts effect.
Zie Euwals, R., M. de Graaf-Zijl en D. van Vuuren, 2016, Flexibiliteit op de arbeidsmarkt, CPB Policy Brief 2016/14.
Maatregelen op het gebied van ontslagbescherming zijn in deze doorrekeningen buiten beschouwing gelaten (zie bijlage 15.18). Ze zijn echter wel van invloed op de kostenverschillen tussen vaste en flexibele werknemers en zelfstandigen.