Kopafbeelding publicaties CPB

In vier stappen naar efficiëntere faillissementswetgeving

CPB Policy Brief 2017/01, 16 januari 2017

Een stabiele welvaartsontwikkeling is gebaat bij een flexibele economie die snel kan inspelen op veranderende omstandigheden. Te denken valt aan de gevolgen van een financiële crisis of van nieuwe technologische ontwikkelingen. De overheid kan de flexibiliteit van de economie vergroten door het reorganiseren of opheffen van ondernemingen met betalingsproblemen sneller en goedkoper te maken.

Lees ook het bijbehorende persbericht.

Efficiënte insolventiewetgeving zorgt ervoor dat improductieve bedrijven minder lang blijven voortbestaan, waardoor de prikkels voor innovatieve investeringen toenemen en investeerders hiervoor meer risicodragend kapitaal willen verschaffen. Tegelijkertijd kan meer risicodragend kapitaal bij bedrijven de risico-opslag bij (bancaire) kredietverlening laten afnemen, hetgeen een positief effect op kredietverlening kan hebben.

Op dit moment overweegt zowel Nederland als Europa de insolventiewetgeving aan te passen om het reorganiserend vermogen van de economie te vergroten. In Nederland kunnen vier beleidsopties de reorganisatiemogelijkheden voor bedrijven met betalingsproblemen vergroten:

  1. Maak in de wet onderscheid tussen meerdere categorieën concurrente schuldeisers, waarbij iedere categorie verschillend gewogen wordt. Creëer tevens mogelijkheden om schuldvorderingen om te zetten in preferente aandelen. Financiers en eigenaren kunnen dan van tevoren bepalen in welke categorie een financieringsovereenkomst valt.
  2. Voer een debtor-in-possession-procedure in bij surseance. Dit geeft het management van een bedrijf met betalingsproblemen een prikkel om eerder surseance aan te vragen en om na de aanvraag meer informatie te delen met de bewindvoerder en de schuldeisers. Internationaal gezien springt Nederland in het oog door afwezigheid van een debtor-in-possession-procedure, de meeste ontwikkelde economieën hebben wel een dergelijke procedure.
  3. Schort de rechten van schuldeisers met onderpand bij surseance en faillissement op. Dit helpt een crediteurenrun te voorkomen en bevordert de kans op een succesvolle doorstart.
  4. Om te voorkomen dat individuele schuldeisers een doorstart bij surseance dwarsbomen, is een dwangakkoord buiten faillissement nodig. Het huidige voorstel Wet Continuïteit Ondernemingen II (WCO II)voorziet daarin, maar een scherpere en wettelijk vastgelegde indeling van klassen van schuldeisers voorkomt meningsverschillen tijdens de procedure. Het vergroot langs die weg de deal-certainty.

Deel deze pagina