Kopafbeelding publicaties CPB

Loonongelijkheid in Nederland stijgt

CPB Policy Brief 2012/06, 10 december 2012

De werkgelegenheid van mensen met een gemiddelde opleiding (veelal mbo’ers) staat onder druk. Meer onderwijsinvesteringen door mensen uit deze groep zijn een deel van de oplossing. Een andere oplossing is het benutten van de complementariteit tussen hoog- en laagopgeleiden.

Lees het bijbehorende persbericht.

De loonongelijkheid in Nederland neemt toe, waardoor hoogopgeleide werknemers verder uitlopen op de rest. Tegelijkertijd dalen de baankansen van mensen met een gemiddeld opleidingsniveau. In de afgelopen vijftien jaar is de vraag naar hoogopgeleide werknemers sneller gestegen dan het al fors toegenomen aanbod. De relatieve lonen van deze groep zijn dan ook verder gestegen. Hetzelfde geldt voor het rendement op een Wo- en Hbo-opleiding. De arbeidsmarktpositie van mensen met een gemiddelde opleiding (veelal Mbo’ers) verslechtert, hoewel de lonen daar nog niet onder lijken te leiden. De werkgelegenheid aan de onderkant is stabiel. Lonen staan daar echter wel onder druk, wat zichtbaar is in relatief lage rendementen op onderwijs.

Deze trends leiden tot druk op de onderkant van de arbeidsmarkt. Door geringere kansen op een baan wagen veel gemiddeld opgeleiden de sprong omhoog, daarbij aangemoedigd door de hoge rendementen op hoger onderwijs. Deze sprong wordt echter bemoeilijkt door het gestegen aanbod van hoogopgeleide werknemers. Inspanningen om de top van het midden te stimuleren een hoger niveau te bereiken, zijn kansrijk. De laagopgeleiden en de overige Mbo’ers moeten het hebben van de complementariteit met hoogopgeleiden. De stijgende vraag naar persoonlijke diensten die de afgelopen tijd op gang is gekomen, biedt daarvoor mogelijkheden. Voor beleidsmakers betekent dit dat investeren in goed onderwijs een manier is om lonen van verschillende groepen op de arbeidsmarkt minder sterk uit elkaar te laten lopen en mensen flexibeler inzetbaar te maken.

Deel deze pagina