Kopafbeelding publicaties CPB

Regionale plaatsing vergunninghouders en kans op werk

CPB Policy Brief 2018/07, 23 mei 2018

Voor de kans om werk te vinden maakt het uit in welke regio asielmigranten met verblijfsvergunning een woning aangeboden krijgen. Tot voor kort werd bij de uitplaatsing van vergunninghouders echter geen rekening gehouden met hun aansluiting bij de regionale arbeidsmarkt. Aan de hand van arbeidsmarktprestaties en verhuisbewegingen van asielmigranten die eind jaren negentig naar Nederland kwamen, laten we zien dat het zinvol kan zijn om dit wel te doen.

Lees ook het bijbehorende persbericht en achtergronddocument.

De kans dat vergunninghouders tien jaar na uitplaatsing een baan hebben, blijkt in de meest gunstige regio bijna anderhalf keer zo hoog als in de minst gunstige regio. Dit vertaalt zich ook in aanzienlijke verschillen tussen regio’s in het beroep op de bijstand. De regionale werkloosheid verklaart een deel van deze verschillen. Daarnaast hangt het regionale patroon samen met persoonlijke kenmerken als leeftijd, geslacht en herkomstland. Het maakt dus uit wie waar geplaatst wordt. 

Voor de arbeidsmarktintegratie kan het daarom zinvol zijn om bij de uitplaatsing rekening te houden met de aansluiting van kenmerken van vergunninghouders bij de regionale arbeidsmarkt. In 2016 is een start gemaakt met dit beleid, maar er zijn manieren om informatie over verschillen in de kans op werk nog meer te benutten. Internationaal onderzoek wijst bijvoorbeeld op de rol die een data-gedreven toewijzingsalgoritme kan spelen in het verbeteren van de koppeling, en dat tegen beperkte kosten. Ook voor Nederland lijkt dit algoritme veelbelovend. Eerder beginnen met het screenen van migranten die op basis van herkomstland een grote kans hebben op het verkrijgen van een verblijfsvergunning, is een andere optie. Om de effectiviteit van dergelijk beleid te evalueren, is nader onderzoek nodig. 

Het aanpassen van de huidige spreiding van aantallen vergunninghouders over het land op basis van inwonertal verhoogt hun kans op een baan waarschijnlijk aanzienlijk minder dan het slim koppelen van vergunninghouders aan regio’s. Wel kan minder uitplaatsing van vergunninghouders naar dunbevolkte regio’s het aantal verhuisbewegingen na uitplaatsing beperken. Hoewel de helft van alle vergunninghouders tien jaar later nog steeds in de regio woont waar ze zijn uitgeplaatst, trekken mensen vooral uit dunbevolkte gebieden weg. Aanpassing van de spreiding kan echter ook nadelen hebben, zoals meer segregatie en afbrokkeling van het draagvlak voor het opnemen van vergunninghouders.

Deel deze pagina