Kopafbeelding publicaties CPB

Zelfstandigen en arbeidsongeschiktheid

CPB Policy Brief 2016/11, 31 oktober 2016

Door de toename van het aantal zelfstandigen en de afname van de verzekeringsgraad onder deze zelfstandigen zijn steeds minder werkenden verzekerd tegen werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid. Voor werkloosheid en ziekte kan betoogd worden dat het gaat om kortdurende risico’s met relatief beperkte financiële gevolgen, die naar hun aard en vanwege de kans op ongewenst gedrag (‘moral hazard’) wellicht beter onder het ondernemersrisico geschaard kunnen worden. Maar bij arbeidsongeschiktheid gaat het om een lastig in te schatten, klein risico met grote financiële gevolgen die bovendien minder samenhangen met het ondernemerschap. Voor een dergelijk risico ligt een brede risicodeling meer voor de hand. Dit roept de vraag op of en hoe zelfstandigen verzekerd dienen te zijn tegen arbeidsongeschiktheid en waarin zij verschillen van werknemers.

Lees ook het bijbehorende persbericht en achtergronddocument.

In deze CPB Policy Brief onderzoeken we de mate waarin zelfstandigen beschikken over alternatieve inkomensbronnen als zij arbeidsongeschikt raken, en in hoeverre zij daarmee kunnen voorzien in hun levensonderhoud. Met die informatie kan een betere afweging plaatsvinden van de voor- en nadelen van verschillende vormen van collectieve verzekering en wordt zichtbaar welke groepen zelfstandigen het meeste voordeel genieten van een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering.

Onderzoek op basis van administratieve gegevens laat zien dat veel zelfstandigen bij arbeidsongeschiktheid alternatieven hebben om in ieder geval tot aan pensionering in een minimuminkomen te voorzien. Een kwart is vrijwillig verzekerd en de rest heeft vaak verzekerde inkomsten uit loondienst, inkomsten van de partner, of vermogen. Toch heeft nog een kwart van de zelfstandigen onvoldoende alternatieven om in een minimuminkomen te voorzien, en bijna één op de twintig heeft helemaal geen mogelijkheden. Voor een inkomen op het niveau van de werknemersverzekering WIA heeft meer dan de helft van de zelfstandigen onvoldoende mogelijkheden.

Vanuit het perspectief van de zelfstandigen betekent een minimumverzekering vooral bescherming tegen de (partner-)inkomens- en vermogenstoets van de bijstand. Hoe meer kans op bijstand, hoe minder nut zo’n arbeidsongeschiktheidsverzekering voor ze heeft. Daarom kan niet-verzekeren voor deze zelfstandigen een logische keuze zijn, hoewel er vanuit maatschappelijk oogpunt sprake is van risicoafwenteling. Werknemers kunnen hun risico niet afwentelen, omdat ze verplicht verzekerd zijn en dus bij arbeidsongeschiktheid niet in de bijstand komen.

Terwijl voor werknemers het aanvullende pensioen is geregeld in de tweede pijler, is het vermogen van zelfstandigen vaak ook nog bedoeld voor pensioenaanvulling. Tevens zijn de verschillen tussen zelfstandigen onderling veel groter dan tussen werknemers. Hoewel er tussen zelfstandigen en werknemers dus een duidelijk verschil bestaat in het niveau van de inkomsten uit alternatieve bronnen, is niet duidelijk of zelfstandigen te weinig, of werknemers te veel verzekerd zijn.

Vanuit maatschappelijk perspectief zijn er, naast minder afwenteling op de bijstand, meer voordelen van een verplichte verzekering: schaalvoordelen, risicosolidariteit en een gelijker speelveld met werknemers. Maar er zijn ook nadelen: een hogere kans op ongewenst gedrag, gedwongen premiebetaling, minder werkgelegenheid en een minder gelijk speelveld met buitenlandse zelfstandigen. Met een minimumuitkering wordt de terugval in inkomen slechts deels verholpen en voor zelfstandigen die niet geraakt zouden worden door de partner- en vermogenstoets in de bijstand, biedt deze geen meerwaarde. Een regeling op WIA-niveau biedt een betere verzekering van het arbeidsinkomen, maar dat leidt wel tot een hogere premie.

Deel deze pagina