Ongeveer 30.000 meer werkende ouders door hogere subsidies in 2005-2009
Persbericht | 14-02-2012
De verhoging van de kinderopvangsubsidie en de inkomensafhankelijke combinatiekorting over de periode 2005-2009 heeft het aantal werkende moeders met ongeveer 30 duizend personen verhoogd. Maar het heeft vrijwel geen effect gehad op het aantal werkende vaders.
Ex post analyse effect kinderopvangtoeslag op arbeidsparticipatie
Download (PDF document, 5.3 MB) | CPB Notitie | 23‑12‑2011 | 50 pagina's
Werkende moeders zijn door dit beleid ook meer uren per week gaan werken, werkende vaders juist minder. Per saldo leverde het beleid 30 duizend volledige banen op. Dit concluderen Egbert Jongen, Leon Bettendorf en Paul Muller in de CPB Notitie ‘Ex post analyse effect kinderopvangtoeslag op arbeidsparticipatie’, die op verzoek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid werd geschreven.
De kosten van dit beleid waren aanzienlijk in de periode 2005-2009. De overheidsuitgaven aan kinderopvang (inclusief werkgeversbijdrage) stegen van 1,0 naar 3,0 miljard euro, de uitgaven aan inkomensafhankelijke combinatiekorting van 0,3 naar 1,3 miljard euro. Bij elkaar een intensivering van 3 miljard euro. Kijken we alleen naar het effect van deze intensivering op de arbeidsparticipatie dan komt dit dus neer op 100 duizend euro per additionele baan. Maar naast verhoogde arbeidsparticipatie is voor beleidsmakers bijvoorbeeld ook de herverdeling van inkomen naar gezinnen met jonge kinderen relevant, of het eventuele positieve effect van kinderopvang op kinderen.
Volgens de empirische analyse hebben de beleidswijzigingen de participatie van vrouwen met jonge kinderen verhoogd met 2,5%-punt, ongeveer 30 duizend personen. Dit is 26% van de totale toename in de participatie van vrouwen over de periode 2004-2009. Er is geen effect gevonden op de participatie van laagopgeleide vrouwen, wel voor middelbaar en hoogopgeleide vrouwen (ongeveer 4%-punt). Waarschijnlijk werd dit veroorzaakt doordat de ouderbijdrage voor lagere inkomens weinig veranderde, terwijl vooral de ouderbijdrage van de midden- en hogere inkomens daalde. Het effect op de participatie van alleenstaande vrouwen was groter dan dat bij vrouwen met een partner.
De beleidswijzigingen lijken geen effect te hebben gehad op de participatie van mannen. Daarbij moet worden gerealiseerd dat de participatiegraad van mannen in de doelgroep met 95% veel hoger is dan die van vrouwen met 78%.
Vrouwen gingen door het beleid ook meer uren per week werken, een stijging van gemiddeld 1,1 uur per week. Dat was 32% van de totale toename van het gemiddelde aantal gewerkte uren per week van vrouwen over de periode 2004-2009. Ook hier vinden de auteurs geen effect bij laagopgeleide vrouwen, wel bij middelbaar en hoogopgeleide vrouwen, evenals bij alleenstaande vrouwen.





