Ex post analyse effect kinderopvangtoeslag op arbeidsparticipatie
Sinds 2005 is het kinderopvangbeleid aanzienlijk gewijzigd. De kinderopvangtoeslag is aanzienlijk verhoogd, hierdoor is de ouderbijdrage voor formele kinderopvang sterk gedaald. Daarnaast is de inkomensafhankelijke combinatiekorting voor minstverdieners en alleenstaande ouders fors geïntensiveerd.
Ex post analyse effect kinderopvangtoeslag op arbeidsparticipatie
Download (PDF document, 5.3 MB) | CPB Notitie | 23‑12‑2011 | 50 pagina's
Foto van de publicatieomslag
Lees het bijbehorende persbericht.
De beleidswijzigingen hebben als belangrijkste doel het stimuleren van de arbeidsparticipatie van jonge ouders.
Deze notitie geeft een empirische analyse van het effect van deze beleidswijzigingen in de periode 2005-2009 op de arbeidsparticipatie in personen en in uren, van zowel vrouwen als mannen. Volgens de empirische analyse hebben de beleidswijzigingen de participatie van vrouwen met jonge kinderen verhoogd met 2,5%-punt, dit is 26% van de totale toename in de participatie van vrouwen over de periode 2004-2009. Het merendeel van deze stijging is toe te rekenen aan de intensivering van de kinderopvangtoeslag. Wanneer we het effect schatten voor subgroepen, vinden we geen effect op de participatie van laagopgeleide vrouwen. Een verklaring voor de afwezigheid van een effect op laagopgeleiden is dat de ouderbijdrage weinig is veranderd voor de lagere inkomens, vooral de ouderbijdrage van de midden en hogere inkomens is gedaald. De intensivering van de inkomensafhankelijke combinatiekorting was bovendien vooral gericht op minstverdieners met een relatief hoog loon. Het effect op de participatie van middelbaar en hoogopgeleide vrouwen is ongeveer 4%-punt. Het effect op de participatie is wat groter voor alleenstaande vrouwen dan voor vrouwen met een partner. De beleidswijzigingen lijken geen effect te hebben gehad op de participatie van mannen. We vinden geen effect voor de totale groep van mannen, en ook niet voor de verschillende subgroepen van mannen. Daarbij moet worden gerealiseerd dat de participatiegraad van mannen in de doelgroep (95%) veel hoger is dan die van vrouwen in de doelgroep (78%). Voor vrouwen vinden we verder een positief beleidseffect op het gemiddeld aantal gewerkte uren van 1,1 uur per week, dit is 32% van de totale toename van het gemiddeld aantal gewerkte uren per week van vrouwen over de periode 2004-2009. Voor laagopgeleide vrouwen vinden we wederom geen effect. Voor middelbaar en hoogopgeleide vrouwen is het effect op de gewerkte uren groter. Het effect voor alleenstaande vrouwen is ook in gewerkte uren groter dan het effect voor vrouwen met een partner. Voor mannen vinden we een negatief beleidseffect op het gemiddeld aantal gewerkte uren van -0,4 uur per week. Dit kan het resultaat zijn van een inkomenseffect; door de hogere kinderopvangsubsidie en door de hogere participatie van moeders is de noodzaak om veel te werken omlaag gegaan. De daling in het aantal gewerkte uren van mannen komt vooral door een negatief effect op het aantal gewerkte uren van middelbaar opgeleide mannen van -0,8 uur per week. Voor zowel laag- als hoogopgeleide mannen vinden we geen effect op het aantal gewerkte uren.
Contactpersonen
Gerelateerde publicaties
- Rondetafelgesprek over Flexibiliteit en Zekerheid
- Zelfselectie en het verlies aan omzet door zoekfricties
- De arbeidsmarkt in CGE-modellen
- Hoe prikkelbaar zijn Nederlanders?
- Schattingen van de arbeidsaanbodreacties in Nederland met structurele modellen
- Een empirische analyse van de arbeidsaanbodeffecten van de aanvullende alleenstaande ouderkorting
- Loonprofielen en mobiliteit
- Vervroegde uittreding en financiële prikkels: Verschillen tussen werknemers met een hoog en een laag loon.
- Werkloosheid en de Grote Recessie
- Loongebouw overheid en mobiliteit





