Kopafbeelding publicaties CPB

Kansrijk innovatiebeleid

CPB Boek 20, 25 februari 2016

Kansrijk innovatiebeleid is de tweede uitgave in de Serie Kansrijk Beleid en belicht de effecten van beleidsmaatregelen op het gebied van fiscale stimulering van r&d, financiering van innovatieve bedrijven, instituten voor toegepast onderzoek, topsectoren en aanbestedingen.

Lees de conclusies in het bijbehorende persbericht.

Zonder innovatie is welvaartsgroei moeilijk voor te stellen in een ontwikkeld land als Nederland. Door nieuwe, betere en goedkopere producten en diensten is iedere generatie weer beter af dan de vorige. Innovatie komt niet spontaan tot stand, maar is afhankelijk van twee factoren. Ten eerste is kennis van het bestaande nodig om met iets nieuws te kunnen komen. Dit geldt voor wetenschap, voor literatuur en ook voor innovatie. Beloning is een tweede voorwaarde voor innovatie. Om van een eerste idee daadwerkelijk tot een nieuw product te komen, is vaak een substantiële investering nodig die niet gedaan zal worden zonder de juiste prikkels. De economie moet dus zo werken dat kennis wordt gedeeld en dat investeringen in innovatie (naar verwachting) terugverdiend kunnen worden.

Zowel bij toegang tot kennis als bij beloning van innovatie kunnen zich allerlei problemen voordoen. Veel van deze problemen zijn terug te voeren op een situatie waarbij het delen van kennis met anderen ten koste gaat van iemands inkomen. Hoewel inkomen niet de enige drijfveer voor onderzoekers is, kan het gevolg zijn dat er minder wordt geïnnoveerd dan maatschappelijk gezien optimaal is. De overheid kan met innovatiebeleid de spanning tussen kennisdeling en inkomen proberen te verminderen en zo de welvaart te vergroten.

De overheid voert drie soorten beleid om het mogelijke gebrek aan innovatie tegen te gaan. Ten eerste zorgt de overheid voor randvoorwaarden voor innovatie (hoofdstuk 4). Een economie kan alleen goed functioneren als de overheid haar basale taken, zoals het beschermen van eigendom en zorgen voor een goed opgeleide beroepsbevolking, adequaat uitvoert. Soms kunnen wetten en regels echter als bijwerking hebben dat de economie minder flexibel wordt. Dit kan innovatie in de weg staan. Ook beleidsverschillen tussen landen kunnen voor een kleine open economie als de Nederlandse belemmerend werken. Een vorm van randvoorwaardelijk beleid specifiek gericht op innovatie is het toekennen en beschermen van intellectueel eigendom. Door intellectuele-eigendomsrechten kan kennis gedeeld worden zonder dat dit ten koste gaat van de inkomsten voor de uitvinder.

Ten tweede kan de overheid innovatie stimuleren met belastingvoordelen, subsidies, leningen en participaties onder gunstige voorwaarden en garanties (hoofdstuk 5). Als een bedrijf innoveert, dan hebben ook andere partijen hier voordeel van, bijvoorbeeld omdat ze de kennis die in een innovatie besloten ligt, ook voor andere doeleinden kunnen gebruiken. Deze kennisspillovers zorgen ervoor dat bedrijven minder investeren dan maatschappelijk gezien optimaal is. De overheid kan de misgelopen inkomsten van bedrijven met subsidies compenseren en zo onderinvesteringen in innovatie beperken.

Een derde manier waarop de overheid ingrijpt, is door zelf kennis te organiseren (hoofdstuk 6). Met name bij fundamenteel onderzoek is intensieve kennisdeling tussen onderzoekers nodig om tot resultaten te komen die uiteindelijk tot innovatie kunnen leiden. De overheid kan in dit geval er rechtstreeks of via universiteiten voor zorgen dat onderzoek plaatsvindt. Een andere reden voor de overheid om kennis te organiseren is bij innovatie van publieke goederen. In de Nederlandse context gaat het dan bijvoorbeeld om watermanagement en cybersecurity. Uitgaven aan universiteiten, instituten voor toegepast onderzoek (waaronder TNO), topsectoren, aanbestedingen en innovatieprijsvragen zijn instrumenten waarmee de overheid innovatie kan (mede-)organiseren.

Deel deze pagina