Kopafbeelding publicaties CPB

De politieke economie van inkomensbeleid: Makkelijker kunnen we het niet maken?

CPB Achtergronddocument, 30 juni 2016

Belangrijke succesfactoren voor een vereenvoudiging van het belastingstelsel zijn: i) degelijk onafhankelijk onderzoek, ii) een degelijke beleidsvoorbereiding en iii) verankering in een regeerakkoord. Maar er is ook een keerzijde aan verankering in een regeerakkoord. Ook maatregelen die bij nader inzien minder wenselijk zijn vanuit het oogpunt van eenvoud worden dan moeilijk omkeerbaar. Dit blijkt uit twee case studies die in dit CPB Achtergronddocument worden geanalyseerd.

Lees het persbericht, CPB Policy Brief 2016/08 en de volgende CPB Achtergronddocumenten:

In de eerste case studie analyseren we een complicatie van het stelsel: de invoering van de inkomensafhankelijke algemene heffingskorting in 2014. De inkomensafhankelijke zorgpremie uit de eerste versie van het regeerakkoord Rutte-II ging niet door, waardoor er een alternatief instrument gevonden moest worden om de hogere inkomens een grotere bijdrage te laten leveren aan het op orde brengen van de overheidsfinanciën. In plaats van de bestaande knoppen van het belastingstelsel te gebruiken, zoals het verhogen van tarief in de tweede en derde schijf, werd in het alternatieve regeerakkoord een nieuwe knop geïntroduceerd, het afbouwen van de algemene heffingskorting in de tweede en derde schijf. Effectief kwamen beide maatregelen op hetzelfde neer, maar het afbouwen van de algemene heffingskorting was minder zichtbaar. De late besluitvorming heeft vervolgens geleid tot extra uitvoeringskosten bij de belastingdienst en naheffingen bij miljoenen burgers. Deze maatregel, die materieel niets toevoegde maar wel leidde tot een complexer stelsel, is in een laat stadium, zonder gedegen onafhankelijk onderzoek en zonder gedegen beleidsvoorbereiding, verankerd in het Regeerakkoord. Hierdoor werd de maatregel moeilijk omkeerbaar.

In de tweede case studie analyseren we een vereenvoudiging: de integratie van de kindregelingen in 2015. Over de jaren heen was er een lappendeken ontstaan van regelingen voor ouders met jonge kinderen waarbij de ene regeling de effecten van de andere regeling moest mitigeren. Bij de brede heroverwegingen in 2010 werd voor het eerst integraal naar de kindregelingen gekeken, en werden concrete hervormingen geanalyseerd. Eén bepaalde hervorming werd vervolgens door het kabinet Rutte-I verder uitgewerkt, en door Rutte-II in het Regeerakkoord verankerd. Na een zorgvuldige beleidsvoorbereiding werd de vereenvoudiging geïmplementeerd.

In een bijlage analyseren we de koopkrachteffecten van een aantal vereenvoudigingen van het inkomstenbelasting- en toeslagenstelsel. We schaffen daarbij een regeling af en proberen vervolgens de koopkrachteffecten te repareren met het restant aan regelingen. Daaruit blijkt dat er een aantal vereenvoudigingen mogelijk is met beperkte koopkrachteffecten. De koopkrachteffecten van het afschaffen van de toeslagen (gebaseerd op huishoudinkomen) zijn echter binnen het huidige stelsel maar beperkt te repareren met de rest van het fiscale instrumentarium (grotendeels gebaseerd op individueel inkomen). Dit geldt vooral voor de huurtoeslag en het kindgebonden budget, die op zeer specifieke groepen zijn gericht.

Dit CPB Achtergronddocument behoort bij de CPB Policy Brief “De politieke economie van belastinghervormingen” (Lejour, 2016).

Deel deze pagina