Kopafbeelding publicaties CPB

Agglomeratie Externaliteiten en Ruimtelijke Ordening

CPB Discussion Paper 191, 5 oktober 2011

Wat betekent het bestaan van externe agglomeratievoordelen voor ruimtelijke-ordeningsbeleid? We verkennen deze vraag in een gestileerd model voor een systeem van heterogene steden.

Als instrumenten die direct op de externaliteit aangrijpen ontbreken, dan kan ruimtelijke ordening op twee manieren behulpzaam zijn. Op de eerste plaats is beleid dat het aantal steden beperkt welvaartsverhogend, omdat de steden die overblijven dan groter worden en de agglomeratievoordelen beter benutten. Omgekeerd leidt beleid dat de opzet van nieuwe steden faciliteert, zoals het (voormalige) groeikernenbeleid, tot een verlies aan agglomeratievoordelen elders in het systeem. Op de tweede plaats kan een combinatie van restricties en subsidies op nieuwbouw in bestaande steden ervoor zorgen dat de steden waar het externe agglomeratie-effect het grootst is, ook de meeste mensen binnen halen.

Vervolgens onderzoeken we de vraag in hoeverre competitie tussen steden leidt tot een maatschappelijk wenselijke uitkomst. Implementatie van het second-best beleid veronderstelt de mogelijkheid om het aantal steden te beperken en het vereist coördinatie van het ruimtelijke beleid van steden op nationaal niveau. Afzonderlijke steden houden immers geen rekening met het feit dat een versoepeling van hun beleid elders een verlies aan agglomeratievoordelen tot gevolg heeft. Zo leidt competitie tot een evenwicht waarin elke stad nieuwbouw subsidieert. Als het beperken van het aantal steden of de nationale coördinatie van ruimtelijk beleid onmogelijk blijkt, dan is deze uitkomst ook vanuit maatschappelijk oogpunt het beste alternatief.

Om een gevoel te krijgen voor het kwantitatieve belang van de mechanismen in het model, eindigt het paper met een numerieke toepassing.

Deel deze pagina