Koopkracht FAQ

Koopkracht is een vast onderwerp in jaarlijks terugkerende publicaties van het Centraal Planbureau zoals de Macro Economische Verkenning (MEV) en het Centraal Economisch Plan (CEP). Lees meer over dit onderwerp: wat we precies bedoelen met koopkracht, hoe de koopkrachtcijfers tot stand komen, wat je ermee kunt en hoe je een medianentabel, een boxplot of een puntenwolk moet lezen.

Meer gedetailleerd beeld is te zien in Koopkracht in beeld.

Koopkracht geeft aan wat huishoudens met hun inkomen kunnen kopen.

Beleidsmakers zijn vooral geïnteresseerd in de verandering van de koopkracht.

Het CPB raamt (ramen is inschatten op basis van berekeningen) daarom de koopkrachtverandering: hoeveel kunnen huishoudens volgend jaar meer of minder kopen dan dit jaar?

We beschrijven de verandering van de koopkracht meestal niet in euro's maar in procenten om inkomensgroepen met elkaar te kunnen vergelijken.

Statische koopkracht

De koopkracht verandert door invloeden van buiten en door veranderingen in het persoonlijke leven van mensen.

Externe invloeden zijn de ontwikkeling van de lonen, (nieuw) beleid van de overheid en de inflatie (inflatie is de gemiddelde prijsstijging van de goederen en diensten die consumenten kopen).

De verandering van de koopkracht door deze externe invloeden noemen we statische koopkrachtontwikkeling.

Dynamische koopkracht

De koopkracht verandert ook door persoonlijke omstandigheden: mensen wisselen bijvoorbeeld van baan, gaan samenwonen, krijgen kinderen of gaan verhuizen.

Als we ook deze veranderingen meerekenen, spreken we van dynamische koopkrachtontwikkeling.

Het is niet goed mogelijk om de veranderingen in persoonlijke omstandigheden van ieder huishouden vooraf te ramen. Dat is ook niet nodig om inzicht te krijgen in de gevolgen van economische ontwikkelingen en beleid op het inkomen van huishoudens.

Daarom raamt het CPB alleen de statische koopkracht.

Het CPB is een onafhankelijk instituut. We maken geen beleid, maar we doen wetenschappelijk onderzoek dat politici en beleidsmakers kunnen gebruiken bij het nemen van besluiten.

Dat doen we op eigen initiatief of op verzoek van het kabinet, de Tweede Kamer, ministeries en werkgevers- en werknemersorganisaties.

Het ramen van de koopkracht is een vast onderdeel van ons werk. Koopkrachtramingen helpen de gevolgen van voorgenomen beleid op de inkomens van huishoudens in te schatten.

Het CPB raamt en publiceert de koopkracht in ieder geval vijf keer per jaar.

De belangrijkste publicaties met koopkrachtramingen zijn de Macro Economische Verkenning (MEV), die we publiceren op Prinsjesdag, en het Centraal Economische Plan (CEP), dat verschijnt in het voorjaar. Daarnaast brengen we ramingen uit in juni, augustus en december.

Ook publicaties die minder vaak verschijnen bevatten koopkrachtramingen, zoals Keuzes in Kaart, waarin we verkiezingsprogramma’s doorrekenen.

Voor het berekenen van de verandering van de koopkracht gebruiken we een model. We voeden dit model met de volgende informatie:

  1. Een representatieve steekproef van ongeveer 100.000 huishoudens. Samen vormen zij een betrouwbare afspiegeling van alle huishoudens in Nederland. Het CBS levert de inkomensgegevens en kenmerken van deze huishoudens, wij bewerken ze om ze geschikt te maken voor het model.
  2. Ramingen van de lonen en de inflatie. Deze maakt het CPB zelf.
  3. Voorgenomen beleidswijzigingen van het kabinet. Denk hierbij niet alleen aan inkomensbeleid, maar ook aan aanpassingen rond de zorg, de woningmarkt of de arbeidsmarkt.

Als alle cijfers zijn ingevoerd, berekent het model voor elk huishouden de koopkracht. Dat gaat in een aantal stappen, die we samen het bruto-nettotraject noemen:

  • Startpunt is het bruto inkomen. Dat bestaat uit (een combinatie van) inkomsten uit arbeid, onderneming, uitkering en pensioen en daarnaast inkomsten uit vermogen, aanmerkelijk belang en eventueel ontvangen alimentatie.
  • Vervolgens berekent het model het netto inkomen: het bruto inkomen min de sociale premies en belastingen.
  • Het netto inkomen verrekend met de zorgkosten, eventuele toeslagen, kinderbijslag en de kosten voor kinderopvang, leidt tot het besteedbaar inkomen.

De knoppen in de afbeelding tonen meer details over de berekeningen in het bruto-nettotraject.

Tot slot corrigeert het model het besteedbaar inkomen voor volgend jaar voor de inflatie en berekent het de procentuele verandering ten opzichte van het besteedbaar inkomen van dit jaar.

De uitkomst van het model is een bestand met voor alle ingevoerde huishoudens de statische koopkracht, uitgedrukt in een percentage.

Meer gedetailleerde informatie over de berekening van de koopkrachtcijfers is te vinden in het achtergronddocument (PDF).

De uitkomsten van het model presenteren we in boxplots en een puntenwolk.

Het vraagt enige ervaring om deze grafieken goed te kunnen lezen.

We gebruiken een boxplot om ook de verdeling van de koopkrachtontwikkeling binnen een bepaalde groep huishoudens te laten zien. Een boxplot toont in één plaatje vijf waarden.

  1. Het 5de percentiel: voor vijf procent van de huishoudens in de groep stijgt de koopkracht minder hard dan deze waarde.
  2. Het 25ste percentiel: voor een kwart van de groep stijgt de koopkracht minder hard dan deze waarde.
  3. Het 50ste percentiel (de mediaan): voor de helft van de groep stijgt de koopkracht meer dan deze waarde, voor de andere helft minder.
  4. Het 75ste kwartiel: voor een kwart van de groep stijgt de koopkracht harder dan deze waarde.
  5. Het 95ste percentiel: voor vijf procent van de huishoudens in de groep stijgt de koopkracht harder dan deze waarde.

 

Boxplots hebben als voordeel dat ze in een beperkte ruimte meer informatie bieden dan een medianen- of frequentietabel. Ze laten én de mediaan zien, en de spreiding.

Uit het voorbeeld blijkt dat de koopkracht van de helft van de werkenden harder stijgt dan 0,7 en voor de andere helft minder hard.

Verder toont de grafiek dat voor een kwart van de groep werkenden de koopkrachtverandering minder is dan 0,2 en voor een ander kwart hoger dan 1,3.

De puntenwolk is de meest gedetailleerde weergave van onze koopkrachtraming. Elke stip in de grafiek staat voor een specifiek huishouden uit de steekproef. Voor elk huishouden is de koopkrachtverandering (verticale as) afgezet tegen het bruto jaarinkomen (horizontale as).

De puntenwolk laat zien hoe gevarieerd de ontwikkeling van de koopkracht is.

De lijn in het midden toont de mediaan per inkomen.

De belangrijkste cijfers in de boxplot zijn de medianen. De mediaan is de middelste waarde in een reeks getallen die gerangschikt zijn naar grootte. De helft van de getallen ligt erboven, de andere helft eronder.

De tabel met medianen hiernaast laat de koopkrachtverandering zien voor alle huishoudens samen en voor groepen huishoudens die vergelijkbaar zijn, bijvoorbeeld wat betreft inkomensniveau, inkomensbron, huishoudtype of gezinssamenstelling.

Uit de voorbeeldtabel blijkt dat de helft van de tweeverdieners er meer dan 0,8 procent op vooruit gaat en de andere helft minder.

Betekent een positieve mediane koopkrachtontwikkeling dat iedereen er op vooruit gaat?

Nee, dat is niet het geval. Een positieve mediaan wil zeggen dat de meeste huishoudens er op vooruit gaan, maar niet per se alle huishoudens. Rond de mediane koopkrachtontwikkeling zit een doorgaans forse spreiding aan effecten, die het Centraal Planbureau grafisch in kaart brengt met puntenwolken en de boxplot.

Nee, dat is niet het geval. Een positieve mediaan wil zeggen dat de meeste huishoudens er op vooruit gaan, maar niet per se alle huishoudens. Rond de mediane koopkrachtontwikkeling zit een doorgaans forse spreiding aan effecten, die het Centraal Planbureau grafisch in kaart brengt met puntenwolken en de boxplot.

Het CPB berekent de koopkracht op basis van een grote steekproef van huishoudens. Zoals in elke grote steekproef hebben we in de koopkrachtramingen te maken met uitschieters (enkele extreem hoge of lage waarden die bijvoorbeeld het gevolg zijn van imperfecties in de dataset). Het gemiddelde kan hierdoor een vertekend beeld geven van de koopkrachtontwikkeling. Vandaar dat het CPB de mediane koopkracht ontwikkeling berekent (evenals het Centraal Bureau voor de Statistiek).

Het CPB raamt de statische koopkrachtontwikkeling. We doen dat om beleidsmakers inzicht te geven in de effecten van economische ontwikkelingen en (voorgenomen) beleid op het besteedbaar inkomen van huishoudens.

We houden geen rekening met veranderingen in persoonlijke omstandigheden die vaak veel grotere invloed hebben op je dynamische koopkracht. Denk aan verandering van baan, promotie, een scheiding of het krijgen van een kind.

Onze ramingen geven een goede inschatting van de koopkrachtontwikkeling van verschillende groepen huishoudens maar zijn niet geschikt om je eigen koopkracht te voorspellen.

Ook andere partijen ramen de koopkracht, zoals het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en het Nibud. Ook zij houden geen rekening met persoonlijke veranderingen en berekenen de statische koopkracht.

Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) berekent wel de dynamische koopkracht, maar alleen achteraf. Het CPB kijkt dus vooruit en schat in hoe de koopkracht zich gaat ontwikkelen, het CBS blikt terug en beschrijft hoe de koopkracht in de praktijk is veranderd.

De grafiek laat zien hoe de mediane statische koopkracht voor alle huishoudens is veranderd sinds 2011.

In de periode 2011 tot en met 2013 nam de mediane statische koopkracht af, van 2014 tot en met 2016 weer toe.

Het CPB berekent de koopkracht volgens de zogenaamde statische koopkrachtdefinitie. Deze definitie is vooral geschikt om te laten zien wat het effect van overheidsbeleid is op het inkomen van huishoudens, gegeven de ontwikkeling van lonen, prijzen en zorgpremies. In deze definitie nemen we bijvoorbeeld niet het effect mee van dat mensen ouder worden, gaan trouwen of scheiden, of een baan vinden of verliezen. In het algemeen geldt dat dit soort veranderingen in persoonlijke omstandigheden een groter effect op de koopkracht hebben dan beleid. 

Op basis van de koopkrachtraming van het CPB kan een indicatie worden gekregen van wat het effect van overheidsbeleid en lonen, prijzen en zorgpremies is op de inkomensongelijkheid. De inkomensongelijkheid is echter ook afhankelijk van andere ontwikkelingen, zoals wijzigingen in persoonlijke omstandigheden, veranderingen in de samenstelling van de bevolking (zoals de vergrijzing) en economische ontwikkelingen (zoals een toe- of afname van de werkloosheid). Op basis van de koopkrachtraming van het CPB kan dus niet gesteld worden dat de inkomensongelijkheid toe- of afneemt.