30 oktober 2003

Effecten van invoering van een sociaal leenstelsel in het Nederlands hoger onderwijs

Nieuw stelsel van studiefinanciering: vele mogelijkheden, keuze is aan de politiek

Persbericht
Studeren in het hoger onderwijs lijkt een goede investering. Een jaar wetenschappelijk onderwijs levert naar schatting gemiddeld 7 tot 9 procent meer loon voor afgestudeerden op.

Het eveneens vandaag gepubliceerde CPB Document 'Effecten van invoering van een sociaal leenstelsel in het Nederlands hoger onderwijs' vormt hiervan de weerslag. In dit CPB Document vergelijken de onderzoekers Bas Jacobs en Erik Canton een groot aantal varianten, inclusief een aantal varianten op verzoek van de Landelijke Studenten Vakbond (LSVb) en de Jonge Socialisten.

Er zijn drie hoofdvormen van mogelijke studiefinancieringsstelsels onderzocht:

  1. Het huidige stelsel van studiefinanciering met terugbetaling van studieschuld volgens vaste maandelijkse termijnen.
  2. Een sociaal leenstelsel waarbij het terugbetalingstempo van de studieschuld afhangt van het arbeidsinkomen na beëindiging van de studie; de terugbetaling stopt als aan de financiële verplichtingen (schuld plus rente) is voldaan; danwel op een bepaalde leeftijd als de schuld dan nog niet is afgelost.
  3. Een academici-belastingstelsel (studietaxmodel), waarbij ex-studenten een deel van hun arbeidsinkomen moeten afdragen, bovenop de normale inkomensbelasting; waarbij de betalingen nooit stoppen voor het 65e jaar, aangezien er geen relatie bestaat met de feitelijk opgebouwde schuld.

Op verzoek van de Commissie heeft het CPB diverse varianten van een sociaal leenstelsel onderzocht, zoals met en zonder aflossingsvrije inkomensdrempel, met meer of minder overheidssubsidie en met meer of minder verschuiving van aflossingsrisico's richting de overheid. Andere mogelijke studiefinancieringsstelsels die zijn onderzocht, betreffen een aantal varianten van een studietaxmodel, het Australische model van studiefinanciering waarbij de terugbetalingstarieven oplopen met het inkomen en varianten waarin de rente op studieleningen wordt gesubsidieerd door de overheid.

Het planbureau bepleit niet de ene of de andere variant, maar wil slechts de effecten in beeld brengen. Het CPB heeft zich in deze of eerdere publicaties rond dit onderwerp niet uitgelaten over de wenselijkheid van welk stelsel dan ook. De keuze voor een academicusbelasting of sociaal leenstelsel (waarbij de aflossingsrisico's door de studenten zelf óf door de overheid worden gedragen) berust onder meer op politieke voorkeuren ten aanzien van de gewenste mate van inkomenssolidariteit tussen (ex-)studenten. Een academicusbelasting kent de hoogste mate van inkomenssolidariteit, dan volgt een sociaal leenstelsel met onderlinge risicodeling, vervolgens een sociaal leenstelsel met publieke bekostiging van het aflossingsrisico en ten slotte een gewoon leenstelsel zonder inkomensafhankelijke terugbetaling van studieschulden.

Er zijn economische redenen aan te voeren om de mate van inkomenssolidariteit in de studiefinancieringsstelsels te beperken. Ten eerste is er het risico van averechtse selectie als studenten onderling de risico's moeten opvangen. Dit houdt in dat studenten met een laag risico en een hoog verwacht toekomstig inkomen niet meedoen (d.w.z. zelf op andere wijze in de financiering van hun studie voorzien) als deelname niet verplicht is. Als de overheid het risico van niet-terugbetalen draagt, dan wordt averechtse selectie vermeden. Ten tweede speelt er een moreel gevaar: studenten kunnen nalatig gedrag vertonen, omdat zij bij een toekomstig laag inkomen toch weinig of niets hoeven terug te betalen. De empirische gegevens over de mate waarin averechtse selectie en moreel gevaar zich voordoen ontbreken vooralsnog. Het is aan de politiek om te besluiten in hoeverre men maatregelen wil nemen tegen averechtse selectie en moreel gevaar.

Ook de gewenste mate van publieke bekostiging is vooral een zaak van politieke afweging. Het planbureau analyseert verschuivingen in de mix tussen publieke en private bekostiging, niet het niveau van de onderwijsuitgaven. De publieke bekostigingsniveaus zijn overigens uitgedrukt als percentage van de directe kosten en niet als percentage van de totale kosten (directe kosten plus de gederfde arbeidsinkomens van studenten).

Gerelateerde publicatie:

An investigation of education finance reform; graduate taxes and income contingent loans in the Netherlands

Woordvoerders

Dick Morks Lees verder

Lees ook de persberichten

ruimte-voor-verhoging-van-private-bijdragen-aan-hoger-onderwijs en

Nieuw stelsel van studiefinanciering: vele mogelijkheden, keuze is aan de politiek

De CUNS heeft het CPB benaderd om onderzoek te verrichten naar de economische effecten van terugbetaling van een studielening. Het onderzoek is uitgevoerd in twee fasen. Voor de eerste fase zijn zes specifieke vragen voorgelegd:

  1. Wat zal het invoeren van een leenstelsel voor gevolgen hebben op de betaalcapaciteit van ex-studenten?
  2. Wat is het effect van een studieschuld op de inkomenspositie van ex-studenten?
  3. Wat zal het invoeren van een leenstelsel voor gevolgen hebben op de arbeidsparticipatie van ex-studenten?
  4. Wat is het effect van een studieschuld op de loonvorming?
  5. Wat zijn van al deze aspecten de macro-economische gevolgen?
  6. Wat zijn de effecten van een leenstelsel voor de toegankelijkheid van het hoger onderwijs?

De beantwoording van deze vragen staat centraal in de hoofdtekst van dit document. In de tweede fase zijn aanvullende vragen voorgelegd. Dit betreft de effecten van voorstellen vanuit de studentenorganisaties. De antwoorden op deze vragen zijn opgenomen in de bijlage.

Contactpersonen

Bas Jacobs Lees verder
Erik Canton Lees verder

Lees meer over