Kopafbeelding publicaties CPB

Fiscaliteit en de rechtsvorm van ondernemingen

CPB Policy Brief 2017/12, 19 december 2017

Deze CPB Policy Brief onderzoekt de belastingdruk van degenen die voor de inkomstenbelasting (ib) als ondernemers kwalificeren (ib-ondernemers) en directeur-grootaandeelhouders (dga’s) en concludeert dat ondernemers zelden van rechtsvorm veranderen. Op basis van gegevens tussen 2007 en 2014 blijkt dat de eerste keuze voor een rechtsvorm vaak de definitieve keuze is. Alleen ib-ondernemers met hogere winstinkomens switchen soms naar een vennootschap. Het onderzoek laat zien dat naast fiscale motieven andere factoren evengoed een rol spelen bij de keuze voor een rechtsvorm.

Lees ook het bijbehorende persbericht.

De verschillen in belastingdruk van beide typen ondernemers zijn een belangrijk aandachtspunt in de vormgeving van het belastingbeleid. Volgens de economische theorie zou de keuze voor een rechtsvorm niet door fiscale motieven moeten worden bepaald. De uitkomsten van deze Policy Brief suggereren dat dat ook nauwelijks het geval is en dat tariefsaanpassingen mogelijk zijn zonder direct een aanzuigende werking naar de bv leidt of vice versa. 

De winstinkomens van ib-ondernemers en dga’s worden verschillend belast. Winstinkomens van ib-ondernemers vallen in box 1 van het ib-stelsel. Het loon van dga’s wordt ook in box 1 belast. De bv’s waarin zij een (aanmerkelijk) belang hebben betalen vennootschapsbelasting (vpb) over de winst en de dga’s betalen box 2-belasting over de uitgekeerde winst. Naast fiscale motieven, gaat het bij de keuze ook om risico en aansprakelijkheid, om kostenoverwegingen, zoals voor administratie, om pensioen en vermogensopbouw en om bedrijfsopvolging. De ondernemers en hun ondernemingen zijn veelal actief in andere sectoren, maken uiteenlopende winsten, hebben andere persoonlijke kenmerken. 

Al deze factoren en kenmerken bepalen de keuze van de rechtsvorm. Die keuze lijkt eenmalig, want uit CBS-data blijkt dat slechts 1 procent van de ib-ondernemers drie jaar later dga is geworden. Voor inkomens boven de 75.000 euro is dat drie keer zo hoog. Alleen ondernemers met meerdere activiteiten die deels onder de ib en deels onder de vpb vallen, zijn geneigd om drie jaar later voor een andere rechtsvorm te kiezen. Ook het aandeel dga’s dat voor een ib-onderneming kiest is beperkt; voor inkomens tot 75.000 euro is het aandeel bijna 5 procent, maar dat neemt snel af bij hogere inkomens. Eens gekozen, blijft gekozen.

Het verschil in belastingdruk tussen de IB-ondernemer en de dga hangt sterk af van de mate waarin de bv dividend uitkeert. Naarmate de winstuitkering wordt uitgesteld, is de gemiddelde belastingdruk lager en is het eerder aantrekkelijk om een dga te worden. De Policy Brief laat zien dat een groot deel van de winst niet jaarlijks wordt uitgekeerd. Het is mogelijk dat de voorgenomen tariefsverhoging in box 2 de keuze om winst uit te keren meer verstoord. Andere beleidsopties zijn een beperking van de doorschuiffaciliteiten en een progressief tarief in box 2, beide met als oogmerk de winstuitkering te stimuleren. Een andere mogelijkheid is om de belastingdruk van ib-ondernemers met hogere winstinkomens te verlagen. Dit heeft ook nadelen: lagere belastinginkomsten en ib-ondernemerschap wordt aantrekkelijker ten opzichte van de werknemer. 

Bijlagen

Deel deze pagina