26 januari 2001

Verdeling van het nationaal inkomen over gezinnen, bedrijven en collectieve sector,

Verdeling van het nationaal inkomen over gezinnen, bedrijven en collectieve sector

Persbericht
Wie heeft er de afgelopen jaren het meest gedeeld in de economische groei in Nederland: gezinnen, bedrijven of de collectieve sector? Het antwoord op deze vraag is afhankelijk van welke cijfers je bekijkt.

Het Centraal Planbureau (CPB) publiceert jaarlijks in de Macro Economische Verkenning (MEV) en in het Centraal Economisch Plan (CEP) de verdeling van de groei van de nationale economische koek: welk deel van de groei van het netto nationaal inkomen (NNI) komt terecht bij gezinnen, bedrijven en de collectieve sector.

In die cijferopstelling bestaat het inkomen van gezinnen uit beschikbaar loon- en uitkeringsinkomen, plus individualiseerbare overheidsconsumptie zoals zorg en onderwijs. Het inkomen van bedrijven wordt vooral bepaald door het winstinkomen na aftrek van de vennootschapsbelasting.

Het inkomen van de collectieve sector bestaat uit de ontvangen belastingen, premies en andere niet-belastingontvangsten, verminderd met de overdrachten aan gezinnen en bedrijven. Bij deze overdrachten gaat het om de uitkeringen van de sociale zekerheid, de inkomensoverdrachten van het rijk, de individualiseerbare overheidsconsumptie, subsidies en de rentebetaling op de staatsschuld. Al deze overdrachten worden gerekend tot het inkomen van gezinnen of bedrijven. Volgens deze definities beloopt het inkomen van de collectieve sector in 2000 ongeveer 15% van het NNI.

Dit inkomen wordt door de collectieve sector vooral aangewend voor de overige overheidsbestedingen: investeringen en collectieve (niet aan individuele gezinnen toe te rekenen) overheidsconsumptie, zoals defensie en openbaar bestuur. Het restant is het EMU-saldo.

De absolute nominale groei van het netto nationaal inkomen bedroeg in de periode 1995-2001 259 mld gulden. Het inkomen van gezinnen is toegenomen met 176 mld (+39%), tegenover een groei met 11 mld (+16%) voor bedrijven en 72 mld (+ 132%) voor de collectieve sector. Deze cijfers laten zien dat een relatief groot deel van de inkomensgroei bij de collectieve sector is terechtgekomen.

De overheidsbestedingen zijn echter niet zo sterk gegroeid. De inkomensgroei van de collectieve sector is voor ruim de helft aangewend voor verbetering van het EMU-saldo. Mede hierdoor is de EMU-schuld van Nederland als percentage van het BBP (bruto binnenlands product) sterk gedaald. Hiervan profiteren in de toekomst de gezinnen en bedrijven, bijvoorbeeld omdat de belastingen minder hoeven te stijgen om de kosten van vergrijzing op te vangen.

Wanneer het EMU-saldo buiten beschouwing wordt gelaten, groeien de overheidsbestedingen nog maar met 40%. Deze groei komt overeen met die van het gezinsinkomen(39%).

Het beeld wordt weer iets anders als je naar de bestedingenkant kijkt en de overheidsbestedingen vergelijkt met de particuliere consumptie.Door de forse vermogenswinsten die gezinnen hebben geboekt (aandelen, huizen) is de consumptie sterker gegroeid dan de gezinsinkomens, namelijk met 46%, en daarmee ook meer dan de overheidsbestedingen. Deze vermogenswinsten worden niet tot het inkomen gerekend en blijven dus buiten beschouwing bij het NNI.

In absolute termen is de totale gezinsconsumptie gestegen met 182 mld gulden, tegenover een toename van de overheidsbestedingen van 32 mld gulden.

Bovenstaande cijfers zijn zoals eerder aangegeven niet nieuw. Zie bijvoorbeeld MEV 2001, pagina 127, voor de aandelen in de volumegroei van het NNI en pagina 67-69 voor de consumptie van gezinnen (zowel particuliere consumptie als individualiseerbare overheidsconsumptie).

Door recente publicaties in De Volkskrant heeft deze verdeling van de economische groei nu opeens veel aandacht getrokken. Het CPB heeft op verzoek van de heer F. Kalshoven, redacteur van De Volkskrant, in een tabel een overzicht gegeven van de verdeling van de groei over de jaren 1995-2001.

Woordvoerders

Dick Morks Lees verder
Foto Henk Kranendonk
Henk Kranendonk +31 6 21977303 Lees verder

Daarbij gaat het om de vraag welk deel van de reële groei van het nationaal inkomen (NNI) terecht komt bij gezinnen, bedrijven en de collectieve sector.

Half januari heeft de heer F. Kalshoven, redacteur van de Volkskrant, op zijn verzoek de cijfers ontvangen over de nominale inkomensverdeling die horen bij de raming in CPB Report 2000/4, het Engelstalige kwartaaltijdschrift van het CPB. Hij heeft die informatie gebruikt voor het artikel in de Volkskrant van 24 januari 2001. Vanwege de vele vragen die het artikel oproept plaatst het CPB de cijfers nu op de website.

 

Lees meer over