27 oktober 2022
CPB Column - Anja Deelen

Deens en Noors klimaatbeleid is niet altijd zomaar te kopiëren

Photo of Anja Deelen
De temperatuur in ons kantoorpand wordt met twee graden verlaagd; ik heb (nog) geen protest gehoord. Maar landen blijken te verschillen op dit punt: op studiereis in Kopenhagen en Oslo merkten mijn collega’s en ik dat de thermostaat daar regelmatig comfortabel hoog staat, wat ons nieuwsgierig maakte hoe dat nu zat en wat we kunnen leren van hun klimaatbeleid.
Anja Deelen
wetenschappelijk medewerker bij het Centraal Planbureau
Photo of Anja Deelen

We spraken met Deense en Noorse experts bij onderzoeksinstellingen, klimaatdenktanks en overheidsinstellingen. We ontdekten verschillen, maar ook overeenkomsten in de uitdagingen waarvoor we staan. In beide landen blijkt de financiële prikkel om de thermostaat lager te zetten gering. In Denemarken is de helft van de huizen aangesloten op stadsverwarming, een systeem dat al sinds de jaren 70 bestaat. Huizen zijn goed geïsoleerd. De gevoeligheid voor de huidige energiecrisis is daarmee gemiddeld een stuk minder dan hier. Dat geldt ook voor Noorwegen, waar ruim de helft van de huizen wordt verwarmd door warmtepompen. 

Daar komt bij dat elektriciteit voornamelijk met hernieuwbare bronnen wordt opgewekt. Denemarken is koploper op het gebied van windenergie; al sinds de jaren 70 bouwen ze windparken op land en op zee en investeren de Denen in innovatie van windturbines. Noorwegen is volledig zelfvoorzienend qua duurzame elektriciteit uit voornamelijk waterkracht en daarnaast windenergie. En voor zover wel sprake is van prijsstijgingen, neemt de overheid net als in ons land een deel voor haar rekening.

Hernieuwbare energie

Naast verschillen zijn er ook overeenkomsten; alle landen staan immers voor eenzelfde opgave om de broeikasgassen voor 2050 naar nul terug te brengen. Dit  vraagt om een strategie voor de lange termijn. Zo zal er veel meer hernieuwbare energie nodig zijn om de toenemende elektrificatie te accommoderen. In mei 2022 hebben Denemarken, Nederland, Duitsland en België op de North Sea Summit in Esbjerg een overeenkomst getekend om gezamenlijk te gaan voor een verdubbeling van windenergie op de Noordzee, tot 65 GW in 2030 en 150 GW in 2050 gecombineerd met waterstofproductie. Deze hoeveelheid windenergie is ongeveer de helft van wat nodig wordt geacht voor een klimaatneutrale EU. Het plan biedt mogelijkheden voor samenwerking: Nederland is goed in het bouwen van kunstmatige eilanden voor de kust, terwijl Denemarken knowhow over windparken kan inbrengen. 

Ondanks haar groene imago staat Denemarken voor uitdagingen om haar reductiedoel van 70% in 2030 (ten opzichte van 1990) te halen. De totale CO2-uitstoot is de afgelopen decennia weliswaar gestaag gedaald, maar dit is deels te danken aan oplossingen die op lange termijn niet volstaan. Ten eerste wordt veel geïmporteerde biomassa gebruikt voor verwarming van gebouwen en woningen, en voor elektriciteitsproductie als het niet genoeg waait. Dit telt weliswaar als hernieuwbaar, maar staat ter discussie. Zeker bij opschaling is er niet genoeg aanbod dat certificeerbaar is als duurzaam. Ten tweede dragen investeringen in carbon capture & storage (CCS) sterk bij aan bewegen richting de emissie-doelstelling. Ook dit is in principe een tijdelijke oplossing, nodig zolang de transitie naar CO2-vrije bronnen nog niet is voltooid. Ook in Nederland wordt geïnvesteerd in CCS voor de periode waarin de industrie de transitie naar groene energie maakt. 

Andere uitdagingen zijn voor ons als Nederlanders tevens herkenbaar. Landbouw en transport nemen naar verwachting in 2030 het gros van de Deense uitstoot voor hun rekening (resp. circa 45-50% en 30%). Het is duidelijk dat hier een opgave ligt, maar er zijn nog weinig concrete plannen. Gedacht wordt aan een heffing op methaan in de landbouw, maar meetproblemen maken de uitvoering complex. Voor beleidsideeën voor deze sectoren wordt met interesse gekeken naar Nederland (voor de Deense vlag maakt het in elk geval geen verschil als hij wordt omgekeerd). 

Bron van welvaart

Noorwegen wordt gekenmerkt door een aantal bijzonderheden. Het land heeft geen plannen om de eigen olie- en gasindustrie, die volledig gericht is op de export, af te bouwen. Al decennialang is dit namelijk een grote bron van welvaart. De overheid is de belangrijkste aandeelhouder van het olie- en gasbedrijf; inkomsten zijn ondergebracht in een groot fonds dat beheerd wordt door de Noorse centrale bank. De overheid mag hier jaarlijks 3% aan onttrekken voor binnenlandse uitgaven, een laag percentage maar een groot bedrag (circa 40 mld. euro). 

Daar staat tegenover dat Noorwegen de afgelopen jaren de overstap naar elektrische voertuigen enorm heeft gesubsidieerd. Aanschafprijs en benodigde stroom zijn goedkoop gemaakt; bovendien worden gebruikers van een elektrisch voertuig niet aangeslagen voor bijvoorbeeld motorrijtuigenbelasting en tol. Door deze maatregelen is nu 80% van de nieuw aangeschafte auto’s elektrisch. Het subsidiebedrag per bespaarde ton CO2 is aanzienlijk (ongeveer 1700 euro). Dit was mogelijk in Noorwegen vanwege het ruime budget uit het olie- en gasfonds.

Bijzonder is dat de investeringen in elektriciteitsnetwerken in Noorwegen geen prioriteit lijken te hebben. Het noorden, waar stroom heel goedkoop is omdat de wind er altijd waait, is terughoudend om de verbinding met het zuiden te versterken. Ook voor het land als geheel lijkt export van stroom geen prioriteit.  De maatschappelijke weerstand lijkt ingegeven door de vrees voor hogere stroomprijzen. Als econoom zou je echter denken dat meer handel tot baten leidt, die kunnen worden teruggesluisd naar de gebruiker. Als in de toekomst de elektriciteitsvraag stijgt en het aandeel van intermitterende stroom (wind, zon) toeneemt, wordt handel in energie naar verwachting belangrijker. Betere netwerkverbindingen met andere landen worden dan nodig.  

Leren en samenwerken

Wat we hebben geleerd tijdens de studiereis is dat de uitgangspunten en voorkeuren van landen verschillen; beleid is niet zomaar te kopiëren. Toch is het goed om naar elkaar te kijken omdat problemen deels vergelijkbaar zijn en we van elkaars best practices kunnen leren en met elkaar kunnen samenwerken. Naarmate het aandeel hernieuwbare energie toeneemt, zal er waarschijnlijk meer coördinatie en handel ontstaan tussen landen op het vlak van elektriciteit, CCS en Power-to-X (e.g. waterstof). Raakvlakken vonden we ook in de discussies, bijvoorbeeld over of er goede redenen kunnen zijn om boven op het Europese emissiehandelssysteem (ETS) nog specifiek beleid te voeren. En in hoeverre coördinatie van productie, consumptie en investeringen aan de markt kan worden overlaten of dat hier een rol voor overheden ligt. Hierover is het laatste woord nog niet gezegd.

Inmiddels zijn we weer thuis. De thermostaat staat wat lager, en dat is prima te doen. Maar we hebben alvast het comfort ondervonden van voldoende investeringen in isolatie en duurzame energie.  

Anja Deelen

alle columns en artikelen

Anja Deelen

wetenschappelijk medewerker bij het Centraal Planbureau

Neem contact op

Recente CPB columns

alle columns en artikelen

Lees meer over