8 maart 2022
CPB Column - Egbert Jongen

Emancipatie op de arbeidsmarkt

Photo of Egbert Jongen
Toen mijn moeder als oudste van zes broers en zussen wilde gaan studeren, vond mijn opa dat geen goed idee. Een dochter die zou gaan studeren buiten Den Helder, dat ging wel erg ver. Een opleiding tot lerares behoorde wel tot de mogelijkheden, en aldus geschiedde. Haar eerste carrière was echter van korte duur. Ze ging trouwen en dus stoppen met werken, om vervolgens voltijds voor mij en later mijn zus te zorgen. Mijn vader werkte voltijds en formele kinderopvang was er nagenoeg niet. We kunnen het ons nu wellicht nauwelijks meer voorstellen, maar vijftig jaar geleden vond men dit heel normaal.
Egbert Jongen
programmaleider Arbeid bij het Centraal Planbureau
Photo of Egbert Jongen

Vandaag is het Internationale Vrouwendag. Een goed moment voor een blog over de verworvenheden en resterende uitdagingen bij de emancipatie van mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt. Daarbij maak ik dankbaar gebruik van het vele onderzoek dat het CPB de afgelopen jaren met verschillende partners heeft gedaan.

Progressie

Eerst het goede nieuws: het gaat vooruit. Vroeger waren jonge mannen vaker hoger opgeleid dan jonge vrouwen. Vrouwen hebben daarna een inhaalslag gemaakt, en inmiddels zijn jonge vrouwen juist vaker hoger opgeleid dan jonge mannen (CPB, 2018a, CBS, 2021a). 

Ook de arbeidsparticipatie van vrouwen is sterk toegenomen. Vijftig jaar geleden werkte ongeveer een derde van de vrouwen op de formele arbeidsmarkt, inmiddels is dat ongeveer twee derde (CPB, 2018b, CBS, 2021b). Internationaal gezien behoort Nederland daarmee inmiddels tot de subtop, en zit het de Scandinavische landen op de hielen (CPB, 2018b). Daarmee blijft er nog wel een verschil met mannen, van wie het aandeel dat werkt juist is afgenomen, van ruim 80 procent vijftig jaar geleden naar ruim 70 procent nu.

Resterende uitdagingen

Enerzijds is er dus behoorlijke progressie geboekt, anderzijds zijn er nog steeds grote uitdagingen. Het merendeel van de vrouwen werkt in deeltijd, en over de afgelopen decennia is het gemiddeld aantal gewerkte uren per week van vrouwen maar weinig veranderd (CPB, 2018b). Een groot deel van de vrouwen is dan ook nog steeds niet economisch zelfstandig (CPB, 2019).

Wat betreft het aandeel vrouwen met een managementfunctie bungelt Nederland onderaan in de EU, en wat betreft het aandeel vrouwen in de top behoort ons land slechts tot de middenmoot (CPB en SCP, 2019). En weliswaar neemt de loonkloof tussen mannen en vrouwen af, maar ook in het loon per uur was er in 2019 nog een verschil van 14 procent (CBS, 2020).

Uit onderzoek blijkt dat het krijgen van kinderen cruciaal is voor het verklaren van de verschillen in carrièrepaden van mannen en vrouwen. Zo laten Kleven e.a. (2019) zien dat in Denemarken het resterende verschil tussen mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt volledig is terug te voeren op het krijgen van kinderen. Ook uit onderzoek voor Nederland blijkt dat het krijgen van kinderen een grote invloed heeft op de carrièrepaden van mannen en vrouwen. Bij vaders is er nauwelijks een effect op hun carrière, terwijl moeders na de geboorte van het eerste kind maar liefst bijna de helft van hun inkomen inleveren (Rabaté en Rellstab, 2021). 

Rol van beleid

Wat kan de overheid doen om de verschillen verder te verkleinen? Een groot deel van het onderzoek richt zich op het beleid rond arbeid en zorg. Onderzoek uit binnen- en buitenland laat zien dat een hoger aanbod van goedkopere kinderopvang een beperkte bijdrage levert aan de arbeidsparticipatie en gewerkte uren van moeders (Bettendorf e.a., 2015, Rabaté en Rellstab, 2021, Kleven e.a. 2021). Het effect van langer of beter betaald vaderschapsverlof is ook beperkt (CPB en SCP, 2019). Wat betreft het aandeel vrouwen in managementfuncties en aan de top laat onderzoek uit het buitenland zien dat een quotum voor vrouwen aan de top wel leidt tot een hoger aandeel vrouwen aan de top maar niet daaronder, en ook lijkt het geen invloed te hebben op de loonkloof tussen mannen en vrouwen (Bertrand, e.a., 2019, CPB en SCP, 2019). Je zou er als beleidsmaker soms moedeloos van worden.

Tegelijkertijd zijn er ook landen die aanzienlijk beter scoren op emancipatie dan Nederland, het kan dus wel. Nader onderzoek is daarom gewenst. Is een breder scala aan maatregelen nodig om de ‘deeltijdklem’ te doorbreken? Zijn de langetermijneffecten van beleid groter vanwege een ‘vliegwieleffect’ via sociale normen? Daarnaast blijft het natuurlijk belangrijk om de effecten van beleidswijzigingen in Nederland te monitoren, omdat effecten in het buitenland zich niet één-op-één hoeven te vertalen naar Nederland. Zo is het CPB in samenwerking met Bureau Pouwels en de Rijksuniversiteit Groningen onlangs gestart met een onderzoek naar de effecten van het diversiteitsquotum voor raden van commissarissen van beursgenoteerde bedrijven.

Monter voorwaarts

Met een vereende inspanning moet het mogelijk zijn om te komen tot meer gelijke kansen voor mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt. Daar heeft iedereen een rol in te spelen. Ouders die hun kinderen wijzen op het belang van zelfontplooiing en economische zelfstandigheid. Partners die de discussie aangaan over hoe zij arbeid en zorg willen verdelen. Werkgevers die ouders de kans geven om gedurende een aantal jaren wat minder te werken maar toch carrière te maken. De overheid die inkomensondersteuning biedt rond de geboorte van kinderen en zorg draagt voor betaalbare kinderopvang van hoge kwaliteit. En natuurlijk onderzoekers om de effecten van beleidsopties in kaart te brengen. Dit alles om ervoor te zorgen dat onze dochter, die over ruim een jaar gaat studeren, dezelfde kansen kan krijgen als onze studerende zoon.

Egbert Jongen

alle columns en artikelen

Egbert Jongen

programmaleider Arbeid bij het Centraal Planbureau

Neem contact op

Lees meer over