9 december 2021
CPB Column - Marcel Timmer

Onzichtbare inflatie?

Photo of Marcel Timmer
Vroeger kreeg je ’m nog in je brievenbus: de salarisstrook van je werkgever. De allereerste strook, van de Rijksuniversiteit Groningen, bestudeerde ik met volle aandacht. Eerdere werkgevers in de preiteelt en bollenkwekerij deden niet aan zo’n strook. Bovenaan stond het brutosalarisbedrag dat veel hoger was dan ik dacht omdat het nooit op mijn rekening was gekomen. En onderaan het nettosalaris dat ik wel echt kon gaan uitgeven. Over de jaren werd het verschil steeds groter, maar ook steeds onzichtbaarder. In deze digitale tijd zonder geprinte strookjes valt nauwelijks op hoeveel van je inkomen door de overheid wordt ingenomen. Ook het CPB richt zich in zijn koopkrachtberekeningen op verandering in besteedbaar (netto) inkomen. Zo blijft een aanzienlijk deel van onze consumptie onzichtbaar. Krijg je steeds meer waar voor je geld, of stijgt slechts de prijs die je voor overheidsdiensten betaalt? Hoe hoog is deze onzichtbare inflatie?
Marcel Timmer
onderdirecteur bij het Centraal Planbureau
Photo of Marcel Timmer

Lees meer over de koopkrachtberekeningen van het CPB.


Waar voor je geld?

Een aanzienlijk deel van ons inkomen (35-40% voor een gemiddeld huishouden) wordt besteed aan de consumptie van publieke diensten zoals zorg, onderwijs, openbaar bestuur, sociale zekerheid en veiligheid. We consumeren publieke diensten indirect door het betalen van belastingen die vervolgens door de overheid worden uitgegeven. Je zou willen weten wat je terugkrijgt voor je belastinggeld, net als bij je uitgaven aan materiële goederen. Dit is met name belangrijk omdat de consumptie van publieke diensten weinig tot geen alternatieven kent. Je hebt de dokter of onderwijzer niet voor het uitkiezen. Dit gebrek aan substitutiemogelijkheden betekent dat een prijsverandering sterk doorwerkt in de ervaren kosten van levensonderhoud [CPB column]. We kennen de prijsontwikkeling van deze diensten echter niet. Slechts die goederen en diensten die door het huishouden zelf zijn aangeschaft, worden meegenomen in de consumentenprijsindex (cpi) van het CBS. De cpi is dus maar een gedeeltelijke index van de kosten van het levensonderhoud. 

Geregeld wordt de bbp(bruto binnenlands product)-deflator uit de nationale rekeningen als breder alternatief voor de cpi gebruikt. De bbp-deflator omvat meer dan de prijsverandering van alle in Nederland geproduceerde diensten. De prijzen van publieke dienstverlening laten zich echter lastig meten, juist omdat ze niet op een markt aangeboden worden. Zo zijn voor gesubsidieerd (publiek) onderwijs geen prijzen beschikbaar. Het CBS maakt in zijn nationale rekeningen met behulp van hoeveelheidsgegevens (zoals aantal leerlingen) en uitgaven een schatting van de impliciete prijsverandering. 

In gevallen waar ook geen hoeveelheidsgegevens beschikbaar zijn, zoals voor de (collectieve) overheidsproductie, worden prijsveranderingen met een verandering in productiekosten geschat. Voor al deze prijsreeksen geldt dat kwaliteitsveranderingen in de dienstverlening niet worden meegenomen. Dit geldt zelfs voor zorgdiensten waarvan relatief veel prijsgegevens voorhanden zijn (via ziekenhuisdeclaraties, zie CBS). Kwaliteitsindicatoren kunnen hier uitkomst bieden, [SCP 2012] maar missen nog een methodologische fundering [CPB 2020]. Het vraagt om een heldere conceptualisering van de output en kwaliteit van de diensten, met niet alleen inzicht in productie zoals behandelingen en lesuren, maar ook in de uitkomsten daarvan zoals betere gezondheid en hoger scholingsniveau [Atkinson, 2009]. Meer inzicht is nodig. Naarmate we meer inkomen hebben, neemt de behoefte en de bestedingen aan dit soort diensten immers toe.


Brede welvaart

Een andere bijzondere karakteristiek van publieke diensten is dat niet iedereen dezelfde prijs betaalt. De belasting die je afdraagt, is onder meer afhankelijk van de hoogte van je inkomen. Terwijl je consumptie van de diensten afhangt van persoonlijke omstandigheden zoals zorggebruik en wel of geen kinderen hebben die onderwijs krijgen. Er worden op dit moment stappen gezet om deze verschillen in lasten en profijt van de overheid zichtbaar te maken in nieuw onderzoek bij het CPB (in samenwerking met het CBS), in navolging van Piketty et al. (2018). Hierbij worden niet alleen belastingheffingen maar ook collectieve zorg- en onderwijsuitgaven zoveel mogelijk toegerekend naar individuele huishoudens, zie ook [SCP 2017]. Dit roept diepere vragen op rond het nut van publieke diensten als collectieve verzekering tegen risico’s die we allen lopen (zoals ziekte), de brede baten van scholing en uiteindelijk ook over solidariteit tussen huishoudens. Het profijtonderzoek is een belangrijke stap naar beter zicht op de daadwerkelijke verandering van brede welvaart in Nederland.

Marcel Timmer

alle columns en artikelen

Marcel Timmer

onderdirecteur bij het Centraal Planbureau

Neem contact op

Recente CPB columns

alle columns en artikelen