28 november 2003

Investeren in kennis; een maatschappelijk-economische beoordeling van de Bsik-projecten

Investeren in kennis kan de Nederlandse welvaart verhogen

Persbericht
Overheidssubsidies voor investeringen in kennis kunnen de maatschappelijke welvaart verhogen. De planbureaus hebben 67 kennisprojecten beoordeeld. Bij 39 kennisprojecten is zicht op een positieve maatschappelijk-economische bijdrage voor de Nederlandse samenleving. Niet iedere overheidsbijdrage in een kennisinvestering is echter zinvol.

Het uitvoeren van de als zwak beoordeelde projecten of projectonderdelen kan leiden tot verdringing van andere meer waardevolle kennisprojecten of activiteiten, en kan daarmee juist afbreuk doen aan de Nederlandse kenniseconomie.

Dit concludeert het Centraal Planbureau (CPB) in de Bijzondere CPB-Publicatie 'Investeren in kennis - Een maatschappelijk-economische beoordeling van de Bsik-projecten'. Deze publicatie beschrijft de maatschappelijk-economische beoordeling van 67 ingediende voorstellen voor kennisinvesteringsprojecten. De studie is verricht in samenwerking met de andere planbureaus, te weten het Milieu- en Natuurplanbureau (MNP), het Ruimtelijk Planbureau (RPB) en het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) alsmede met het Rathenau Instituut.

Het Kabinet heeft circa 800 miljoen euro aan subsidies gereserveerd voor de tenderregeling 'Besluit subsidieregeling investeringen kennisinfrastructuur' (Bsik), waarbij consortia van kennisinstellingen en private partijen projectvoorstellen voor een vijftal thema's konden indienen. Er zijn 67 projectvoorstellen ingediend met een totale subsidievraag van ongeveer 1,7 miljard euro. Het beschikbare budget vereist een nadere selectie van de projecten. Het kabinet heeft de planbureaus gevraagd de maatschappelijk-economische beoordeling van de projectvoorstellen uit te voeren.

De planbureaus en het Rathenau Instituut hebben de kennisprojecten beoordeeld op de aanwezigheid van goede condities voor het realiseren van een gunstig maatschappelijk rendement. De projecten zijn ingedeeld in vier beoordelingscategorieën. In totaal komen 17 projecten in hun huidige vorm op basis van hun maatschappelijk-economische beoordeling zonder meer voor subsidiëring in aanmerking. Deze projecten hebben een goed vooruitzicht op een gunstig maatschappelijk rendement. Tien projecten vereisen een nadere strategische afweging door het kabinet. Het gaat om projecten met grotere onzekerheid omtrent resultaat (fundamenteel onderzoek) of 'second best' projecten als het onzeker is of er voldoende draagvlak is voor ander en beter beleid. Verder zijn er nog 12 projecten waarvoor alleen op onderdelen vooruitzichten bestaan op een gunstig rendement en alleen toekenning van subsidie voor die specifieke onderdelen gerechtvaardigd lijkt. Tot slot zijn er 28 projecten waar onvoldoende vooruitzichten bestaan op een gunstig rendement en die op maatschappelijk-economische overwegingen geen subsidietoekenning rechtvaardigen.

Bovenstaande resultaten zijn gebaseerd op de maatschappelijk-economische beoordeling door de planbureaus en het Rathenau Instituut. Daarnaast zijn beoordelingen uitgevoerd door de Koninklijke Nederlandse Academie voor Wetenschappen (KNAW, beoordeling wetenschappelijk kwaliteit) en Senter (volledigheid en financiële onderbouwing). De drie beoordelingen vullen elkaar aan. Indien een project in één van de drie beoordelingen ongunstig uit de bus komt, zal het zonder nadere argumentatie niet in aanmerking komen voor subsidie. Een voor dit doel door de betrokken Ministers aangestelde Commissie van Wijzen heeft de afzonderlijke beoordelingen betrokken bij haar advies over het toekennen van subsidies aan individuele projecten ten behoeve van de besluitvorming door het kabinet.

Lees ook het bijbehorende persbericht.

Hiervoor is ruim 800 miljoen euro gereserveerd, terwijl de totale subsidievraag van de in totaal 67 ingediende projectvoorstellen een veelvoud van dit bedrag bedraagt. De toekenning van de beschikbare gelden aan individuele projecten vereist nadere schifting.

De baten van investeringen in kennis kunnen niet betrouwbaar worden gekwantificeerd. Wat wel kan is het nalopen van de aanwezigheid van goede condities voor het realiseren van maatschappelijk rendement. Het gaat dan vooral om antwoorden op de volgende vragen:

  • Is er een logische rol voor de overheid of is de kennisontwikkeling een normale marktactiviteit?
  • Maakt het voorstel concreet welke kennisvermeerdering wordt beoogd en op welke wijze deze kennis ontwikkeld gaat worden?
  • Grijpt de beoogde kennisontwikkeling aan bij het maatschappelijke doel waar het zich op richt?
  • Is sprake van een sterk consortium met voldoende aandacht voor goede verspreiding van kennis en voor beheersing van risico's?

Al deze vragen komen aan bod bij de beoordeling van de 67 ingediende Bsik-voorstellen. Het CPB heeft in samenwerking met MNP, RPB, SCP en het Rathenau Instituut op verzoek van het Ministerie van Economische Zaken de maatschappelijk-economische effecten van deze projectvoorstellen beoordeeld. Deze analyse vormt samen met aanvullende analyses van de KNAW en SENTER de basis voor de advisering van de Commissie van Wijzen aan het Kabinet.