23 november 2018

Vertraagde loonontwikkeling in Nederland ontrafeld

Lagere productiviteitsgroei oorzaak beperkte loonstijging

Persbericht
Om de lonen in de toekomst sterker te laten stijgen, is het nodig dat de arbeidsproductiviteit, oftewel de productie per werknemer, sneller toeneemt. Dit concludeert het Centraal Planbureau (CPB) in de vandaag verschenen publicatie ‘Vertraagde loonontwikkeling in Nederland ontrafeld’. CPB-directeur Laura van Geest: “Een blik op de cijfers leert dat de matige ontwikkeling in de arbeidsproductiviteit getalsmatig – althans in Nederland – een belangrijkere verklaring is voor de sobere loonontwikkeling dan het dalende loonaandeel of de arbeidsinkomensquote (aiq). Daarmee weet je beter waar je het moet zoeken, maar is het niet per se makkelijker om er iets aan te doen.”
Main image

Sinds 2014 is de economie flink aangetrokken, maar stijgen de lonen jaarlijks een stuk minder dan vóór de crisis. Gemiddeld nemen de lonen nauwelijks meer toe dan de inflatie, die de afgelopen jaren ook al historisch laag was. Belangrijkste oorzaak is dat de groei van de arbeidsproductiviteit, die al vanaf de jaren tachtig steeds langzamer toeneemt, sinds 2014 verder is vertraagd ten opzichte van de periode vóór de crisis. Het loonaandeel, het gedeelte van de nationale koek (bbp) dat naar de werknemers gaat, neemt in die jaren meestal af, maar hierin is geen verschil met vóór de crisis. Tijdens de crisis is het loonaandeel door neerwaartse starheid van de lonen juist toegenomen.

Flexibele arbeid blijkt een groot deel van de economische fluctuaties op te vangen. De lonen zijn hierdoor juist minder gevoelig voor de stand van de economie: als het economisch slecht gaat, daalt de loongroei minder en als het beter gaat is de loonstijging kleiner. Wanneer de economie aantrekt, worden relatief veel werknemers op een tijdelijk contract aangenomen en relatief veel uitzendkrachten ingezet. Omdat zij gemiddeld een lager loon hebben, remt dit de gemiddelde loongroei op nationaal niveau. Tijdens een recessie werkt dit andersom: dan verliezen tijdelijke werknemers en uitzendkrachten als eersten hun baan en zwakt de gemiddelde loongroei minder af. Uit het onderzoek van het CPB blijkt niet dat flexibilisering tot structureel lagere lonen heeft geleid. Ook voor andere factoren zoals globalisering, technologische vooruitgang en marktmacht wordt geen eenduidig effect op de loonontwikkeling gevonden.

Samenvattende infographic
Beperkte loonstijging door lage productiviteitsgroei

De lagere reële loonstijging is voor een belangrijk deel terug te voeren op de beperkte groei van de arbeidsproductiviteit.
De nominale loonstijging is ook lager door de lage inflatie. Deze ontwikkelingen zien we al vanaf de jaren tachtig optreden, maar sinds 2014 zijn de arbeidsproductiviteitsgroei en de inflatie verder gedaald ten opzichte van de periode voor de crisis. Daarnaast nemen de reële lonen ook nog minder toe dan de arbeidsproductiviteit, wat betekent dat het loonaandeel in de meeste jaren afneemt. De daling van het loonaandeel is echter kleiner dan die van de arbeidsproductiviteitsgroei en daarmee is de lagere arbeidsproductiviteitsgroei de belangrijkste reden dat de reële lonen minder stijgen. Nederland is daarin niet uniek. Deze ontwikkelingen treden ook internationaal op. 

De flexibele schil in Nederland zorgt ervoor dat de loongroei minder afneemt in een recessie en minder toeneemt in een economische opgang. Zowel medewerkers met een tijdelijk contract als uitzendkrachten zorgen via samenstellingseffecten voor minder fluctuaties in de loongroei. Wanneer de economie aantrekt, worden er relatief veel werknemers op een tijdelijk contract aangenomen en relatief veel uitzendkrachten ingezet. Omdat beide gemiddeld een lager loon hebben, remt dit de gemiddelde loongroei op nationaal niveau. Tijdens een laagconjunctuur verliezen tijdelijke werknemers en uitzendkrachten als eersten hun baan, waardoor de gemiddelde loongroei op macroniveau minder afzwakt.

We kunnen niet bepalen of de toename van flexibele arbeid tot een structureel lagere loongroei leidt. In onze analyses kijken we, afhankelijk van de beschikbare data, naar zowel werknemers met een flexibel contract als naar zelfstandigen in verschillende landen, sectoren en individuele bedrijven. Op basis van de resultaten kunnen we geen structureel effect van flexibilisering op de loongroei vaststellen.

Globalisering, technologische vooruitgang en marktmacht kunnen een rol spelen bij de loongroei. In de wetenschappelijke literatuur worden deze factoren genoemd als mogelijke verklaring voor de daling van het loonaandeel. Tegelijkertijd hebben in ieder geval de eerste twee factoren ook een positief effect op de arbeidsproductiviteit. Daarmee is het effect op de reële loongroei niet eenduidig. Voor Nederland kunnen deze factoren van belang zijn, maar op basis van ons huidige onderzoek kunnen we niet aangeven of en in welke mate dat het geval is. De moeilijkheid daarbij is vooral dat genoemde factoren moeilijk meetbaar zijn. Dat er geen verband is tussen de gebruikte indicatoren en de loongroei kan dus ook betekenen dat de indicatoren het onderliggende mechanisme niet goed meten.

Om de reële lonen in de toekomst sterker te laten stijgen is het van belang dat de arbeidsproductiviteit sneller toeneemt; overheidsbeleid kan hier een bijdrage aan leveren. Zowel beleid op het gebied van menselijk kapitaal en innovatie als aanpassingen van productmarkt- en arbeidsmarktinstituties kunnen bijdragen aan een hogere arbeidsproductiviteitsgroei en een stijging van het loonaandeel. 
 

23 november 2018

Loongroei, een analyse op bedrijvendata

Om de lonen in de toekomst sterker te laten stijgen, is het nodig dat de arbeidsproductiviteit, oftewel de productie per werknemer, sneller toeneemt. Dit concludeert het Centraal Planbureau (CPB) in de vandaag verschenen publicatie ‘Vertraagde loonontwikkeling in Nederland ontrafeld’. CPB-directeur Laura van Geest: “Een blik op de cijfers leert dat de matige ontwikkeling in de arbeidsproductiviteit getalsmatig – althans in Nederland – een belangrijkere verklaring is voor de sobere loonontwikkeling dan het dalende loonaandeel of de arbeidsinkomensquote (aiq). Daarmee weet je beter waar je het moet zoeken, maar is het niet per se makkelijker om er iets aan te doen.”
Main image

De loongroei is onderzocht met een drietal analyses, grotendeels op basis van bedrijvendata.

Ten eerste rafelt een shift-share-analyse de totale groei van de lonen (en gerelateerde variabelen) uiteen in de groei binnen groepen bedrijven en de bijdrage van samenstellingseffecten. Hieruit blijkt dat de rol van samenstellingseffecten sinds 2001 gemiddeld beperkt is. Ook de afname van loongroei en loonaandeel na de grote recessie zijn niet hoofdzakelijk het resultaat van verschuivingen naar bedrijven met een relatief laag loon(aandeel).

Ten tweede kijken we via regressieanalyses naar de samenhang tussen enerzijds de groei in lonen, de arbeidsproductiviteitsgroei en de verandering van het loonaandeel en anderzijds diverse structurele factoren (globalisering, flexibilisering, marktmacht en automatisering). We vinden in de regel geen statistisch significante effecten op de loonontwikkeling van de mate van flexibilisering of andere structurele ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. De coëfficiënten kunnen overigens niet causaal geïnterpreteerd worden, maar beschrijven veeleer correlaties. Het feit dat we geen (sterke) verbanden hebben kunnen vaststellen kan deels samenhangen met beperkingen van de data. 

Ten derde presenteren we beschrijvende statistiek met betrekking tot de loonverdeling. Deze suggereert dat neerwaartse loonrigiditeit tijdens en na de grote recessie een rol heeft gespeeld.
 

Contactpersonen

23 november 2018

De loongroei, een internationale macro-analyse

Om de lonen in de toekomst sterker te laten stijgen, is het nodig dat de arbeidsproductiviteit, oftewel de productie per werknemer, sneller toeneemt. Dit concludeert het Centraal Planbureau (CPB) in de vandaag verschenen publicatie ‘Vertraagde loonontwikkeling in Nederland ontrafeld’. CPB-directeur Laura van Geest: “Een blik op de cijfers leert dat de matige ontwikkeling in de arbeidsproductiviteit getalsmatig – althans in Nederland – een belangrijkere verklaring is voor de sobere loonontwikkeling dan het dalende loonaandeel of de arbeidsinkomensquote (aiq). Daarmee weet je beter waar je het moet zoeken, maar is het niet per se makkelijker om er iets aan te doen.”
Main image

De internationale literatuur geeft verschillende mogelijke verklaringen voor de vertraagde loonontwikkeling zoals globalisering, technologische ontwikkeling en, specifiek voor Nederland, flexibilisering. Met behulp van een panelanalyse met 21 OESO-landen hebben we gekeken of hier empirische aanwijzingen voor te vinden zijn. Hierbij hebben we zowel gekeken naar een relatie met de reële loonontwikkeling, als een relatie met de arbeidsproductiviteitsgroei en de ontwikkeling van het loonaandeel.
We vinden geen robuuste resultaten die een relatie met globalisering, technologische ontwikkeling, vakbondsmacht en sociale overheidsuitgaven laten zien. Hier spelen mogelijk de beperkingen van de data, zoals dat de concepten lastig te operationaliseren zijn, een rol.

Wel zien we dat het aandeel tijdelijke werknemers de negatieve correlatie tussen de werkloosheid en de reële lonen dempt. Dit betekent dat een groter aandeel tijdelijke werknemers zowel de afzwakking van de loongroei verkleint in een neergaande conjunctuur als de versnelling van de loongroei in de opgaande conjunctuur. Dit mechanisme is met name voor Nederland relevant gezien het relatief grote aandeel tijdelijk werknemers. 

Contactpersonen

Foto Iris van Tilburg
Iris van Tilburg +31 6 31754461 Lees meer
Foto Wim Suyker
Wim Suyker +31 6 52485860 Lees meer
23 november 2018

De sectorale loongroei in Nederland: een veranderende samenstelling van de economie

Om de lonen in de toekomst sterker te laten stijgen, is het nodig dat de arbeidsproductiviteit, oftewel de productie per werknemer, sneller toeneemt. Dit concludeert het Centraal Planbureau (CPB) in de vandaag verschenen publicatie ‘Vertraagde loonontwikkeling in Nederland ontrafeld’. CPB-directeur Laura van Geest: “Een blik op de cijfers leert dat de matige ontwikkeling in de arbeidsproductiviteit getalsmatig – althans in Nederland – een belangrijkere verklaring is voor de sobere loonontwikkeling dan het dalende loonaandeel of de arbeidsinkomensquote (aiq). Daarmee weet je beter waar je het moet zoeken, maar is het niet per se makkelijker om er iets aan te doen.”
Main image

De nationale loongroei wordt vooral bepaald door loongroei binnen sectoren. Verschuivingen tussen sectoren leveren een geringe bijdrage aan de lage loongroei over de gehele periode. In de meest recente jaren is de bijdrage van verschuivingen tussen sectoren echter groter. In 2017 leidt de relatieve verschuiving in de financiële sector, openbaar bestuur, horeca en vooral de uitzendbranche tot een lagere loongroei van ongeveer 0,5%.

Met behulp van een panelanalyse analyseren we op sectoraal niveau de samenhang van flexibilisering van de arbeidsmarkt en andere structurele ontwikkelingen, zoals globalisering en technologische vooruitgang, met de loongroei. We vinden geen robuuste resultaten van deze structurele factoren op de loongroei. Het effect van het aandeel flexibele werknemers en zzp’ers op de reële loongroei is moeilijk te interpreteren door twijfels over causaliteit.

Contactpersonen

Foto Jurriaan Paans
Jurriaan Paans +31 6 11048710 Lees meer
Foto Rob Euwals
Rob Euwals +31 6 55736513 Lees meer

Contactpersonen

Foto Yvonne Adema
Yvonne Adema +31 6 15011560 Lees meer
Foto Iris van Tilburg
Iris van Tilburg +31 6 31754461 Lees meer

Lees meer over