16 december 2021
CPB Column - Diederik Dicou

Je kunt ook te eerlijk willen zijn

Photo of Diederik Dicou
Hoogtepunt van het sinterklaasbezoek op school vond ik altijd de strooipiet, die handenvol pepernoten in het lokaal wierp en zo ruw de rust in de klas verstoorde. Ook al zongen we braaf “eerlijk zullen we alles delen”, in de praktijk gold hier eerder het recht van de sterkste: zo snel mogelijk zoveel mogelijk bij elkaar grabbelen. Dus rechtvaardig was dit niet echt. Doelmatig trouwens ook niet, aan het eind lagen er altijd wat vertrapte pepernoten in een of andere hoek. Maar enerverend was het wel, en dat effect was natuurlijk het eigenlijke doel, boven een efficiënte en rechtvaardige snoepdistributie.
Diederik Dicou
Hoofd sector bij het Centraal Planbureau
Photo of Diederik Dicou

Bij het vormgeven en implementeren van overheidsbeleid wordt vaak veel aandacht gegeven aan zaken als rechtmatigheid, rechtvaardigheid en doelmatigheid. Dat zijn ook belangrijke waarden als je belastinggeld uitgeeft, maar het is een misvatting om ze te verabsoluteren. Want als je elke euro wilt verantwoorden en er zeker van wilt zijn dat die precies op de juiste plek belandt, moet je een hoop kosten maken. Denk aan administratiekosten, uitvoerbaarheid en kosten voor toezichthouders. En ook complexiteit, die vaak ontstaat als gepoogd wordt efficiëntie en rechtvaardigheid te verenigen. Juist degenen die het meest zijn aangewezen op de overheid weten vaak het moeilijkst hun weg te vinden in complexe regelingen. Dus wat op papier rechtvaardig en doelmatig lijkt, kan in de praktijk juist in het tegendeel uitpakken.

Snelheid

Tijdens de coronacrisis hebben we kunnen zien hoe anders economisch beleid eruit kan zien als andere waarden de boventoon voeren. In een crisis zijn snelheid en toegankelijkheid essentieel, en dus is er gekozen voor steunregelingen met heel weinig administratieve voorwaarden. Door die vormgeving is de coronasteun ongetwijfeld ook terechtgekomen bij bedrijven die het niet nodig hadden, en zelfs bij bedrijven die er geen recht op hadden (lees meer over de evaluatie van het steunbeleid). Maar als je dat had willen voorkomen, was de steun nooit op tijd gekomen voor de bedrijven die het wel nodig hadden. En net als bij de strooipiet is het belangrijk om ook hier het eigenlijke doel voor ogen te houden: op dat moment was het belangrijk om het vertrouwen te stutten en vraaguitval te voorkomen, het geld moest net als de pepernoten rollen. En dan is het dus verstandig om de vraag of je recht hebt op steun daar ondergeschikt aan te maken. Fraudeurs doen ook boodschappen, en zo bereikt het geld de rest van de economie ook.

Nadelen van te veel nadruk op doelmatigheid en rechtmatigheid vinden we in het toeslagenstelsel. De wens om inkomensondersteuning zo gericht mogelijk te maken, heeft geleid tot een Byzantijns stelsel waarin mensen gemakkelijk verdwalen. Meer dan de helft van de uitbetaalde huurtoeslagen moet achteraf worden gecorrigeerd, en 10% van de rechthebbenden vraagt helemaal geen huurtoeslag aan, mogelijk omdat ze het stelsel niet goed begrijpen (lees meer over het 'Gebruik (en niet-gebruik) van toeslagen in Nederland'). En de wens om er zeker van te zijn dat iedereen er tot de laatste cent recht op had, ontaardde na fraudegevallen bij de kinderopvangtoeslag in een nietsontziende heksenjacht, met duizenden slachtoffers. Ongekend onrecht, voortgekomen uit de wens om rechtmatigheid te bevorderen.

Moed

Een focus op één kant van het spectrum heeft dus kosten aan de andere kant. Daar mag bij beleidsontwerp meer rekening mee worden gehouden, bijvoorbeeld door meer uit te gaan van vertrouwen. Waarom niet veel minder eisen stellen aan subsidies, en steekproefsgewijs achteraf controleren of het geld ongeveer goed terecht is gekomen? Of voor lief nemen dat een regeling minder goed gericht is op de groep die het echt nodig heeft, als die regeling daarmee simpel en uitvoerbaar is? Sommige van onze oudste, meest succesvolle regelingen werken volgens dat principe. Je kunt je kwaad maken over de kinderbijslag van de miljonair, maar je kunt het ook zien als de prijs van een begrijpelijke, uitvoerbare regeling. Zulk beleidsontwerp vergt wel politieke moed, het betekent ook dat je een zekere mate van fraude en verspilling accepteert ten gunste van zaken als begrijpelijkheid, uitvoerbaarheid en toegankelijkheid. Het vergt ook moed om bij incidenten niet direct een ruk aan het stuur te geven: stabiel beleid draagt immers ook bij aan uitvoerbaarheid, en de neiging om voor elk nieuw probleem het beleid aan te passen leidt tot complexiteit.

We mogen als CPB ook de hand in eigen boezem steken. Zaken als doelmatigheid laten zich goed meten, dus daar kun je als econoom goed aan rekenen. Met die berekening is niks mis, maar wij moeten ons beseffen dat wat je kwantificeert automatisch de aandacht krijgt. Daarmee kan het CPB impliciet een nadruk op doelmatigheid ondersteunen. Daarom zie ik het ook als onze taak om die neiging wat te onderdrukken, en juist meer aandacht te vragen voor de andere kant van de medaille. Daar zijn we al mee begonnen, bijvoorbeeld door bij de doorrekening van verkiezingsprogramma’s de langetermijneffecten niet tot achter de komma maar kwalitatief te duiden. Maar het mag nog meer, we nemen ons voor om in onze publicaties vaker ’te strooien’ met observaties over complexiteit en begrijpelijkheid. En dan maar hopen dat dat net zo gretig wordt opgepakt als die pepernoten.

Diederik Dicou

  • meer over Diederik

alle columns en artikelen

Diederik Dicou

Hoofd sector bij het Centraal Planbureau

  • meer over Diederik
Neem contact op

Recente CPB columns

alle columns en artikelen

Lees meer over