18 november 2019

Toelichting bij gegevens kerngegevens en aanvullende kerngegevens

Deze toelichting is bedoeld om de cijfers en begrippen te verduidelijken. De toelichting is hieronder ook als PDF-bestand te downloaden.

Kerngegevens

Internationale economie

Relevant wereldhandelsvolume goederen en diensten
Het deel van de wereldhandel dat voor de Nederlandse export van belang is. Het is een gewogen gemiddelde van het wereldhandelsvolume. Bij de bepaling van dit gewogen gemiddelde is rekening gehouden met de samenstelling van het Nederlandse exportpakket en de geografische bestemming ervan (landenoriëntatie).     

Concurrentenprijs
De concurrentenprijs is het gewogen gemiddelde van de uitvoerprijs van concurrenten op buitenlandse afzetmarkten, met de Nederlandse uitvoeraandelen als gewichten.

Olieprijs (dollars per vat)
De prijs van ruwe olie, in dollars per vat van 159 liter.

Eurokoers (dollar per euro)
De prijs van de euro uitgedrukt in de prijs van de dollar.

Lange rente Nederland
De kapitaalmarkt-rentevoet op de jongste Nederlandse tienjarige staatslening.

Volume bbp en bestedingen

Van de onderstaande begrippen wordt de volumeontwikkeling weergegeven, dat wil zeggen de veranderingen in de hoeveelheid en de kwaliteit.

Bruto binnenlands product (bbp, economische groei)
Het bbp wordt berekend uit de som van de waarde die door ondernemingen, huishoudens en overheden wordt toegevoegd aan de goederen en diensten die zij hebben moeten verbruiken om hun producten te kunnen maken.
Het bbp is gelijk aan de som van de consumptie door huishoudens, de consumptie door de overheid, de investeringen en de uitvoer, minus de invoer.

Consumptie huishoudens
Uitgaven aan goederen en diensten door huishoudens bij de handel of direct bij de producent, aangevuld met de uitgaven via de instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens, bijvoorbeeld sportverenigingen.

Consumptie overheid 
Uitgaven door de overheid aan goederen en diensten die worden gebruikt voor directe levering aan leden van de samenleving. Hieronder valt het merendeel van de uitgaven van de overheid op het gebied van gezondheid, onderwijs en sociale bescherming en uitgaven voor diensten op het gebied van:
- openbaar bestuur, beveiliging en defensie;
- ordehandhaving, wet- en regelgeving;
- milieubescherming;
- speur- en ontwikkelingswerk;
- infrastructuur en economische ontwikkeling.

Investeringen (inclusief voorraden)
Uitgaven voor geproduceerde materiële (tastbare) of immateriële activa die langer dan een jaar in het productieproces worden gebruikt.
Voorbeelden van materiële vaste activa zijn: grond, woningen en bedrijfsgebouwen, weg- en waterbouwkundige werken, vervoermiddelen, machines, installaties en apparatuur, bomen en vee.
Voorbeelden van immateriële vaste activa zijn: concessies voor exploratie van minerale reserves, vergunningen, octrooien, patenten, software, databanken, goodwill.

Voorraden bestaan uit goederen en diensten die zijn ontstaan in de lopende of in een eerdere periode en die worden aangehouden voor verkoop, gebruik in het productieproces of voor ander gebruik in de toekomst. De voorraden omvatten grondstoffen en halffabricaten, onderhanden werk, gereed product en handelsgoederen.

Uitvoer van goederen en diensten 
De levering van goederen en het verlenen van diensten aan het buitenland. Onder de uitvoer vallen ook de uitgaven door buitenlandse toeristen in Nederland.

Invoer van goederen en diensten 
De levering van goederen en het verlenen van diensten door het buitenland. Onder de invoer vallen ook de uitgaven door Nederlandse toeristen in het buitenland.

Prijzen, lonen, koopkracht en armoede

Prijs bruto binnenlands product
De prijsverandering van het bruto binnenlands product (bbp, de productie in Nederland).

Uitvoerprijs goederen en diensten
De prijsverandering van de uitvoer van goederen en diensten.

Invoerprijs goederen en diensten
De prijsverandering van de invoer van goederen en diensten.

Inflatie, nationale consumentenprijsindex (cpi, alle huishoudens)
De nationale consumentenprijsindex geeft het prijsverloop weer van een pakket goederen en diensten zoals dit gemiddeld wordt aangeschaft door alle huishoudens in Nederland. De inflatie is de ontwikkeling (in procenten) van de consumentenprijsindex ten opzichte van de overeenkomstige periode in het voorgaande jaar.

Alternatieve cpi
Bij de alternatieve cpi wordt rekening gehouden met prijzen van zowel nieuwe als bestaande energiecontracten. Het CPB gebruikt de alternatieve cpi bij de bepaling van de koopkracht- en armoedecijfers. Voor meer toelichting op de alternatieve cpi zie CBS (link) en par. 1.4 van het CEP-2023-Verdiepingsdocument (link).

Inflatie, geharmoniseerde consumentenprijsindex (hicp)
De ontwikkeling (in procenten) van de geharmoniseerde consumentenprijsindex ten opzichte van de overeenkomstige periode in het voorgaande jaar. 
De geharmoniseerde consumentenprijsindex (hicp) is een Europese prijsindex die is ontwikkeld om de inflatiecijfers van de lidstaten van de Europese Unie met elkaar te vergelijken. De bestaande nationale indices zijn ongeschikt om prijsveranderingen in de lidstaten met elkaar te vergelijken, omdat de berekeningsmethoden te veel van elkaar verschillen. Eurostat, het statistische bureau van de Europese Unie, heeft in samenwerking met de statistische bureaus van de lidstaten richtlijnen opgesteld voor de berekening van de geharmoniseerde index. 
Het belangrijkste verschil tussen de nationale consumentenprijsindex (cpi) en de hicp is de samenstelling van het pakket goederen en diensten waarop beide indices zijn gebaseerd. Zo houdt de hicp in tegenstelling tot de cpi geen rekening met de kosten van het wonen in de eigen woning. Verder geldt dat de cpi betrekking heeft op uitgaven van Nederlanders in Nederland en in het buitenland. De hicp heeft betrekking op uitgaven in Nederland door Nederlanders en buitenlanders. Zie voor meer informatie ook CBS (link). 

Loonvoet bedrijven
De gemiddelde verandering van de verdiende lonen bij de bedrijven, inclusief de sociale lasten die de werkgever moet afdragen. 
De tijdens de coronacrisis ingevoerde tijdelijke loonkostensubsidie Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW) en de continuïteitsbijdrage in de zorg hadden in 2020 een opwaarts effect op de loonvoetmutatie bedrijven van 3,3%-punt en in 2021 en 2022 een neerwaarts effect van 1,6%-punt. 

Cao-loon bedrijven
De gemiddelde stijging van de lonen bij bedrijven volgens de cao’s.

Koopkracht (statisch, mediaan alle huishoudens)
Ontwikkeling van het beschikbare inkomen, gecorrigeerd voor de inflatie, van een huishouden. De statische koopkracht houdt geen rekening met overgangen zoals promotie, baanverlies, samenwonen, scheiden en gezinsuitbreiding. Dit in tegenstelling tot de dynamische koopkracht waarin deze overgangen wel worden meegenomen. De mediaan is de middelste van de naar grootte gerangschikte koopkracht van huishoudens. Dat wil zeggen dat de helft van alle huishoudens een hogere koopkracht heeft en de helft een lagere koopkracht. Bij de mediane koopkrachtcijfers is rekening gehouden met de alternatieve cpi. Voor meer informatie zie ook : https://www.cpb.nl/koopkracht-faq

Personen in armoede
De verhouding van het aantal personen in huishoudens onder de armoedegrens en het totaal aantal personen. Het niet-veel-maar-toereikendcriterium van het Sociaal en Cultureel Planbureau is als armoedegrens gehanteerd. Bij de cijfers van personen in armoede is rekening gehouden met de alternatieve cpi.

Het niet-veel-maar-toereikendcriterium is iets ruimer dan het strikte basisbehoeftenbudget, dat de minimale uitgaven van een zelfstandig huishouden aan onvermijdbare, basale zaken als voedsel, kleding en wonen bevat. In het niet-veel-maar-toereikendcriterium worden ook uitgaven aan andere moeilijk te vermijden posten, zoals verzekeringen en persoonlijke verzorging meegeteld. Ook houdt het  rekening met de minimale kosten van ontspanning en sociale participatie, denk hierbij aan het lidmaatschap van een sport- of hobbyclub of een jaarlijkse korte vakantie. Deze uitgaven zijn niet strikt noodzakelijk, maar veel mensen beschouwen ze wel als zeer wenselijk. Het niet-veel-maar-toereikendcriterium is nog steeds bescheiden. Luxegoederen, zoals een auto, ontbreken.

Arbeidsmarkt

Beroepsbevolking
Het totaal van de werkzame beroepsbevolking en de werkloze beroepsbevolking.

Werkzame beroepsbevolking
Het aantal in Nederland wonende personen in de leeftijd van 15 tot 75 jaar met betaald werk (exclusief personen in instellingen zoals verpleeg-, verzorgings- en kindertehuizen (de institutionele bevolking)). Bij betaald werk gaat het om werkzaamheden ongeacht de arbeidsduur.

Werkloze beroepsbevolking
Het aantal personen in de leeftijd van 15 tot 75 jaar zonder betaald werk, die recent naar betaald werk hebben gezocht en daarvoor direct beschikbaar zijn (exclusief personen in instellingen zoals verpleeg-, verzorgings- en kindertehuizen (de institutionele bevolking)). Bij betaald werk gaat het om werkzaamheden ongeacht de arbeidsduur.

Werkgelegenheid (uren)
De totale hoeveelheid arbeid (in gewerkte uren) door werknemers en zelfstandigen die is ingezet in de Nederlandse economie.

Overig

Arbeidsinkomensquote bedrijven
De arbeidsinkomensquote (aiq) is het aandeel van het arbeidsinkomen in het totale verdiende inkomen van de economie. Het arbeidsinkomen is de totale beloning van werknemers plus het gemengd inkomen van zelfstandigen. Het totale verdiende inkomen bestaat naast het arbeidsinkomen uit de operationele winst van bedrijven. Dit is het geld dat een bedrijf kan inzetten voor onder andere loonsverhoging, besparingen, bedrijfsuitbreiding of uitkeringen aan aandeelhouders. Een stijgende aiq betekent dat het aandeel van het arbeidsinkomen in het totale verdiende inkomen stijgt en dat het aandeel van de operationele winst van bedrijven daalt. De arbeidsinkomensquote is een belangrijke indicator voor de vraag bij wie de verdiensten van een economie terechtkomen.

Gemengd inkomen van zelfstandigen
Dit is inkomen dat enkel wordt verdiend door huishoudens en beslaat inkomsten van zelfstandigen, inkomsten uit de verhuur van woningen en inkomsten uit de grijze, zwarte en illegale economie. Het wordt het gemengd inkomen genoemd, omdat het zowel een winst- als loonbestandsdeel bevat. Beide componenten zijn lastig van elkaar te scheiden; zelfstandigen betalen zichzelf immers geen loon uit.

Operationele winst van bedrijven
Dit wordt ook wel het netto-exploitatieoverschot genoemd en is de vergoeding voor de inzet van kapitaal door bedrijven. Het verschil met het bruto-exploitatieoverschot zijn de afschrijvingen. Dit zijn waardeverminderingen van kapitaalgoederen: geproduceerde activa die een jaar of langer in het productieproces meegaan, zoals gebouwen en computers, maar ook bijvoorbeeld software. 

Het CPB kijkt naar de aiq van bedrijven, hierbij worden de bedrijfstakken openbaar bestuur, overheidsdiensten en onderwijs niet meegenomen in de aiq-berekening. Het CBS gebruikt in haar berichtgeving vaak de aiq voor de marktsector. Hier wordt, naast de bedrijfstakken openbaar bestuur, overheidsdiensten en onderwijs, ook de zorg, de delfstoffenwinning, de financiële dienstverlening en de verhuur van en handel in onroerend goed buiten beschouwing gelaten.

Voor meer informatie over de aiq zie ook CBS (link).

Arbeidsproductiviteit bedrijven (per uur)
Een maat voor de efficiëntie waarmee wordt gewerkt. Voor de productie van bedrijven wordt de volumeontwikkeling van de bruto toegevoegde waarde in basisprijzen gebruikt. In basisprijzen wil zeggen exclusief de handels- en vervoersmarges en exclusief productgebonden belastingen en subsidies. Voor het arbeidsvolume wordt het aantal gewerkte uren van bedrijven genomen. Bedrijven is hier gedefinieerd als het totaal van alle bedrijfstakken exclusief openbaar bestuur, overheidsdiensten en onderwijs.

Individuele spaarquote 
De verhouding van het saldo van het beschikbaar inkomen en de consumptieve bestedingen van huishoudens en het beschikbaar inkomen van huishoudens. Het beschikbaar inkomen is het inkomen van huishoudens inclusief uitkeringen en na aftrek van belastingen.

Saldo lopende rekening
Het verschil tussen de ontvangsten uit het buitenland en de uitgaven aan het buitenland op de lopende rekening. De lopende rekening omvat internationale handel in goederen en diensten en inkomenstransacties zoals bijvoorbeeld rente, dividend en pensioenuitkeringen.

Collectieve sector

Onder de collectieve sector vallen alle eenheden die voornamelijk gecontroleerd en gefinancierd worden door de overheid. Deze eenheden betreffen uitsluitend niet-marktproducenten. De collectieve sector wordt onderverdeeld in vier subsectoren:

•    Rijksoverheid, deze bestaat uit ministeries, agentschappen en begrotingsfondsen, zoals Gemeentefonds, Provinciefonds, Mobiliteitsfonds en het Nationaal Groeifonds. Ook horen hierbij rechtspersonen waarover het Rijk zodanige zeggenschap heeft, dat deze rechtspersonen geringe eigen beslissingsbevoegdheid hebben, zoals Stichting Etherreclame (STER) en Stichting Administratiekantoor Beheer Financiële Instellingen (NLFI).

De Staten Generaal en overige Hoge Colleges van Staat behoren ook tot de Rijksoverheid.

•    Overige centrale overheid, zoals door de overheid gefinancierde universiteiten en diverse landelijke stichtingen en organisaties. Voorbeelden hiervan zijn onderzoeksinstellingen, zoals  Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) en aan de universiteiten gelieerde instituten. Ook  verzelfstandigde overheidsdiensten zoals Prorail en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) vallen onder de overige centrale overheid.

•    Lokale overheid. Deze eenheid omvat lokale bestuurslagen (gemeenten, provincies, waterschappen), door de lokale overheid gefinancierde onderwijsinstellingen (geen universiteiten) en overige lokale instellingen zonder winstoogmerk, zoals  musea, bibliotheken en jeugdhulpverlening, waarover de overheid overheersende zeggenschap heeft.

•    Socialezekerheidsfondsen., deze bestaat uit de toezichts- en uitvoeringsorganen van de wettelijke socialeverzekeringsregelingen, zoals het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en Zorginstituut Nederland (ZiN). De uitvoeringsinstellingen zijn verantwoordelijk voor het beheer van de sociale fondsen die de wettelijke socialeverzekeringsregelingen zoals AOW en WW bekostigen (AOW-fonds, werkloosheidsfondsen (SFN, AWF).

Voor meer toelichting op de samenstelling van de collectieve sector, zie CBS

De afbakening van de collectieve sector komt overeen met die van de institutionele sector overheid uit de Nationale rekeningen.

EMU-saldo 
Het verschil tussen de inkomsten en uitgaven van de sector overheid. Het EMU-saldo wordt ook wel overheidssaldo genoemd. Een positief getal betekent een overschot en een negatief getal een tekort. Het is een belangrijke indicator voor de gezondheid van de overheidsfinanciën. 

EMU-schuld 
De schuld van de hele collectieve sector, ook wel overheidsschuld genoemd.

Collectieve lasten
De overheidsinkomsten uit belastingen en wettelijke premies. De collectieve lasten bevatten niet de toegerekende sociale premies ten laste van werkgevers.

Bruto collectieve uitgaven
De totale uitgaven van de collectieve sector. Hieronder vallen de uitgaven aan sociale zekerheid, zorg, openbaar bestuur, onderwijs, internationale samenwerking, defensie, infrastructuur, overdrachten aan bedrijven, veiligheid en rente.

Aanvullende kerngegevens

Investeringen en uitvoer

Bruto investeringen bedrijvensector (exclusief woningen)
Totale investeringen exclusief de investeringen door de overheid en exclusief de investeringen in woningen. 

Investeringen bedrijven in woningen
Totale investeringen in woningen door de sector bedrijven.

Uitvoer van binnenslands geproduceerde goederen en diensten (exclusief energie)
De levering van in Nederland geproduceerde goederen en het verlenen van diensten aan het buitenland, exclusief de uitvoer van energie (aardgas, aardolie, windenergie en elektriciteit).

Wederuitvoer (exclusief energie)
De goederen die via Nederland vervoerd worden en daarbij (tijdelijk) eigendom worden van een ingezetene, zonder dat significant industriële bewerking plaatsvindt, exclusief de wederuitvoer van energie (aardgas, aardolie, windenergie en elektriciteit). Wederuitvoer betreft onder andere goederen die door Nederlandse distributiecentra worden ingeklaard en uitgeleverd aan andere (Europese) landen. De wederuitvoer maakt, anders dan de doorvoer, wel deel uit van de invoer en de uitvoer.

Prijzen, overheid, afgeleide cpi en cao-loon marktsector

Uitvoerprijs goederen en diensten, exclusief energie
De prijsverandering van de uitvoer van goederen en diensten, exclusief de uitvoer van energie (aardgas, aardolie, windenergie en elektriciteit).


Afgeleide nationale consumentenprijsindex (cpi, alle huishoudens)
De nationale consumentenprijsindex geschoond voor de invloed van kostprijsverhogende (bijv. btw) en consumptiegebonden belastingen (bijv. motorrijtuigenbelasting).

Loonvoet sector overheid
De gemiddelde loonvoetontwikkeling in de sector overheid (per gewerkt uur). De loonvoet is inclusief de incidentele loonontwikkeling. De incidentele loonontwikkeling wordt door veel factoren beïnvloed, zoals de samenstelling van de werkgelegenheid (uitstroom van relatief laag betaalden leidt bijvoorbeeld tot een stijging van het gemiddelde loon en dus van het incidentele loon) en aanvullende beloningen los van de algemene contractloonontwikkeling.
De sluiting van delen van de overheid tijdens de coronacrisis in combinatie met doorbetaling van salarissen en de loonkostensubsidie NOW hadden in 2020 een opwaarts effect van 0,2%-punt op de loonvoetmutatie. In 2021 en 2022 was er een neerwaarts effect van 0,1%-punt.

Prijs overheidsconsumptie, beloning werknemers
De gemiddelde verandering van de lonen en salarissen van de collectieve sector exclusief de productiviteitsstijging binnen de collectieve sector. 

Prijs materiële overheidsconsumptie (imoc)
De prijsindex van de materiele overheidsconsumptie (imoc) geeft de prijsontwikkeling weer van het intermediair verbruik (exclusief het verbruik van verzekeringsdiensten door de socialezekerheidsfondsen en het verbruik van de toegerekende bankdiensten) van de bedrijfstakken openbaar bestuur, gesubsidieerd onderwijs en sociale werkvoorziening.

De imoc zou bij voorkeur uitsluitend de prijsontwikkeling van aankoop van goederen en diensten ten behoeve van de materiële overheidsconsumptie moeten weergeven, dus exclusief de aankopen door de overheid ten behoeve van de marktverkopen en exclusief de aankopen ten behoeve van de investeringen in eigen beheer. Verondersteld wordt dat de materiële prijsindex van de materiële overheidsconsumptie gelijk is aan die van de marktverkopen en de aankopen ten behoeve van investeringen in eigen beheer, een splitsing is op basis van de huidige beschikbare bronnen niet te maken.

De imoc omvat het intermediair verbruik van de volgende bedrijfstakken: openbaar bestuur, gesubsidieerd onderwijs en sociale werkvoorziening. Sector heterogene bedrijfstakken waarin de sector overheid ook is vertegenwoordigd zoals musea zijn hierin buiten beschouwing gelaten. Dit betreft ongeveer vijf procent van de materiële uitgaven van de overheid.

De imoc wordt vaak gebruikt voor het corrigeren voor prijsstijgingen (infleren) van meerjarige/toekomstige contracten, afspraken en begrotingen. Voorbeelden hiervan zijn de prijscompensatie door het ministerie van Financiën aan andere ministeries voor uitgaven aan goederen en diensten (m.u.v. investerings- goederen) en het corrigeren voor prijsstijgingen van vele contracten van lokale overheden (gemeenten, provincies, water- schappen) met derden, bijvoorbeeld over de huurprijs van schoolgebouwen en sporthallen.

Voor de prijscompensatie door het ministerie van Financiën wordt gebruikt gemaakt van de imoc- ramingen uit het overeenkomstige Centraal Economisch Plan (CEP). De ramingen in het CEP (jaar t) worden dus gebruikt voor het uitdelen van de prijscompensatie over jaar t en er is geen sprake van nacalculatie. Voor andere gebruikswijzen wordt wel gebruikgemaakt van latere ramingen of cijfers uit de Nationale rekeningen. Dit hangt af van de specifieke afspraken tussen de betrokken partijen.

Het definitieve cijfer van de imoc komt met vertraging beschikbaar. In juni van jaar t zal het CBS in de Nationale rekeningen een voorlopige raming over jaar t-1 publiceren. Een jaar later publiceert het CBS het definitieve cijfer over jaar t-1. Voor meer informatie over de imoc, zie CBS.


De imoc wordt door het CPB geraamd als de samengestelde gewogen prijsmutatie van de materiële overheidsbestedingen, de afschrijvingen en de verkopen van de overheid. 

Prijs intermediair verbruik overheid
De gemiddelde prijsverandering van de lopende aankopen van goederen en diensten (bijvoorbeeld kosten van energie, huisvesting, kantoorartikelen, uitzendkrachten) door de overheid. In tegenstelling tot de imoc, wordt deze prijsindex niet beïnvloed door de prijsmutatie van de overheidsinvesteringen (zoals de prijsmutatie van infrastructuur) en door de prijsmutatie van de verkopen van de overheid.

Prijs bruto overheidsinvesteringen (iboi)
De gemiddelde prijsverandering van de bruto investeringen van de collectieve sector. De investeringen bestaan onder meer uit infrastructuur, vervoermiddelen, software etc. Cijfermatig staat dit onderbouwd in de tabellensets Nationale rekeningen, tabel 3. Finale bestedingen, tabblad B 3.1 – B 3.3  Hierin staan ook de wegingsfactoren, bijv. van infrastructuur, die ruim 30% van de overheids- investeringen beslaat.

De iboi wordt vaak gebruikt voor het corrigeren voor prijsstijgingen (infleren) van meerjarige/toekomstige contracten, afspraken en begrotingen in constante prijzen, bijvoorbeeld voor de prijscompensatie door het ministerie van Financiën aan het ministerie van Verkeer en Waterstaat en voor afspraken tussen een gemeente en een wegenbouwer.

Voor de prijscompensatie door het ministerie van Financiën wordt gebruikt gemaakt van de iboi-ramingen uit het overeenkomstige Centraal Economisch Plan (CEP) van het CPB. De ramingen in het CEP (jaar t) worden dus gebruikt voor het uitdelen van de prijscompensatie over jaar t en er is geen sprake van nacalculatie.
Voor andere gebruikswijzen wordt wel gebruikgemaakt van latere ramingen/cijfers uit de Nationale rekeningen. Dit hangt af van de specifieke afspraken tussen de betrokken partijen.

Het definitieve cijfer van de iboi komt met aanzienlijke vertraging beschikbaar. In juni van jaar t zal het CBS in de Nationale rekeningen een voorlopige raming over jaar t-1 publiceren. Een jaar later publiceert het CBS het definitieve cijfer over jaar t-1.

Prijs nationale bestedingen
Dit is het gewogen gemiddelde van de prijs consumptieve bestedingen (overheid plus huishoudens) en de investeringen (overheid en bedrijven). De prijs nationale bestedingen wordt nu gebruikt voor het bijstellen van de uitgavenkaders in de rijksbegroting. Voor dit doel worden niet de meest recente ramingen gebruikt, maar –conform de systematiek bij de prijscompensatie van het Rijk, (zie imoc en iboi) de ramingen uit het overeenkomstige Centraal Economisch Plan van het CPB.

Prijs toegevoegde waarde bedrijven
De prijsverandering van de toegevoegde waarde van de bedrijvensector. De toegevoegde waarde is het verschil tussen de productie in basisprijzen en het intermediaire verbruik (exclusief aftrekbare btw).

De productie in basisprijzen is de waarde van alle voor de verkoop bestemde goederen (ook de nog niet verkochte) en de ontvangsten voor bewezen diensten, alsmede de waarde van producten met een marktequivalent die voor eigen gebruik zijn geproduceerd zoals investeringen in eigen beheer, eigen woningdiensten en landbouwproducten voor eigen consumptie door landbouwers.

Het intermediaire verbruik zijn de producten die in de verslagperiode zijn verbruikt in het productieproces, gewaardeerd tegen aankoopprijzen, exclusief aftrekbare btw. Dit kunnen al dan niet in de verslagperiode aangekochte grondstoffen, halffabricaten en brandstoffen zijn, maar ook diensten zoals communicatiediensten, schoonmaakdiensten en diensten van externe accountants.

Cao-loon marktsector
De gemiddelde stijging van de lonen in de marktsector (bedrijven exclusief gezondheids- en welzijnszorg) volgens de cao's.

Diverse kerngegevens

Bruto binnenlands product (bbp)
De omvang van de economie, zie ook hier. 

Kinderen in armoede
De verhouding van het aantal kinderen in huishoudens onder de armoedegrens en het totaal aantal kinderen. Het niet-veel-maar-toereikendcriterium van het Sociaal en Cultureel Planbureau is als armoedegrens gehanteerd. Bij de cijfers van kinderen in armoede is rekening gehouden met de alternatieve cpi.

Bevolking
Alle personen die zijn opgenomen in het bevolkingsregister van een Nederlandse gemeente.

Beroepsbevolking
Zie hier.

Bruto modaal inkomen
Het modale inkomen is het meest voorkomende inkomen. Het modaal inkomen wordt jaarlijks bepaald op basis van de totale gemiddelde cao-loongroei.

EMU-saldo structureel (EC-methode)
Het structureel saldo is het feitelijke overheidssaldo geschoond voor invloeden van de economische conjunctuur en incidentele budgettaire baten en kosten. Zie hier voor uitleg hoe het structurele EMU-saldo wordt berekend.

Contactpersonen