11 november 2021
CPB Column - Pieter Hasekamp

De econoom als technocratisch activist?

Photo of Pieter Hasekamp
Het werk dat economen doen, is niet altijd even nuttig – zeggen economen zelf. Op de tiende Nederlandse Economendag, afgelopen vrijdag in Den Haag, gaf Armin Falk (Universiteit Bonn) de Tinbergenlezing. Hij presenteerde daarin de resultaten van een onderzoek onder economen naar economisch onderzoek. Daaruit blijkt dat economen vinden dat de economische wetenschap te veel nadruk legt op pure theorie en specialisatie en te weinig op maatschappelijke relevantie en multidisciplinair onderzoek.
Pieter Hasekamp
directeur bij het Centraal Planbureau
Photo of Pieter Hasekamp

Bekijk de video met een sfeerimpressie van de lustrumeditie van de Nederlandse Economendag (NED).

Toch is er wat aan het veranderen. De Nobelprijs voor de economie werd dit jaar toegekend aan David Card, Joshua Angrist en Guido Imbens. Card kreeg de prijs voor zijn empirische werk op het terrein van de arbeidsmarkt, Angrist en Imbens voor het ontwikkelen van methoden om causale verbanden te analyseren. De afgelopen jaren heeft zich een stille revolutie voltrokken: waar economen vroeger vooral konden opvallen met theoretische modellen, ligt de nadruk nu veel sterker op empirisch onderzoek. In mijn openingsspeech voor de Economendag heb ik het belang van deze ontwikkeling onderstreept. Ze laat zien dat de economische wetenschap in staat is een antwoord te formuleren op de – in mijn ogen deels terechte – kritiek dat economische modellen en de daaruit volgende analyses zijn gebaseerd op onrealistische aannames ten aanzien van 'rationeel' gedrag.

Minimumloon

De nieuwe empirische economie richt zich op wat er in het echt gebeurt en maakt daarvoor gebruik van data uit 'natuurlijke' experimenten. Een van de bekendste voorbeelden is het onderzoek van Card en anderen naar de gevolgen van verhoging van het minimumloon op de werkgelegenheid. Waar de economische theorie eenduidig een negatief effect voorspelt, bleek dat in de praktijk vaak niet of nauwelijks op te treden. Mede als gevolg van dit soort onderzoek geeft het CPB voor Nederland nu een andere inschatting van de economische gevolgen van aanpassing van het minimumloon. Het CPB gebruikt inmiddels de door Angrist, Imbens en anderen ontwikkelde methoden in tal van publicaties. 

Dit voorjaar sprak Guido Imbens nog op de CPB-lecture. Zijn verhaal, en het co-referaat van Mark Kattenberg van het CPB, gaat in op de volgende stap in de empirische economie: het gebruik van 'machine learning' en kunstmatige intelligentie om causale verbanden vast te stellen. Het weekblad The Economist besteedde onlangs uitgebreid aandacht aan de 'real-time revolution in economics'. Daarbij wordt de stap gezet van het gebruik van gegevens die pas met geruime vertraging beschikbaar zijn – zoals vrijwel alle macro-economische statistieken – naar data die vrijwel direct en met een hoge frequentie meetbaar zijn (zoals vervoersgegevens). Het is een ontwikkeling die veelbelovende toepassingen heeft, maar ook vragen oproept: zonder theoretisch kader is het moeilijk om gevonden verbanden te interpreteren en dreigt economisch onderzoek een 'fishing expedition' te worden, waarbij altijd wat gevonden wordt. Zinnig onderzoek zal dus altijd theorie en empirie moeten verbinden. 

Traditie van Tinbergen

Dat is natuurlijk geen nieuw inzicht. Het CPB – en eigenlijk de hele economiebeoefening in Nederland – is schatplichtig aan de traditie van Tinbergen, die aan de basis stond van de eerste empirische revolutie in de economische wetenschap. De macro-economische modellen die door Tinbergen en zijn opvolgers ontwikkeld werden, waren geworteld in empirische verbanden. En Tinbergen paste die inzichten nadrukkelijk toe op het beleid, om te analyseren hoe economische politiek kan bijdragen aan het verhogen van de welvaart.

De Nederlandse Economendag stond eveneens in het teken van beleid, om te beginnen met de uitdagingen die er liggen voor het nieuwe kabinet. Gesproken werd onder meer over de klimaatopgave, publieke investeringen, ongelijkheid en de betaalbaarheid van de zorg. Economen kunnen beleidsmakers helpen om die maatschappelijke opgaven aan te pakken. Je zou zeggen dat we met de nieuwe technieken, en alle beschikbare data, inmiddels genoeg weten om niet alleen te analyseren, maar ook – soms vrij dwingend – te adviseren. De econoom als technocratisch activist.

Oog voor beperkingen 

Toch moeten we oppassen dat we als economen onze rol niet te groot maken. Hoewel we op sommige terreinen vrij goed denken te weten welke maatregelen welk effect hebben, zijn er ook veel 'wicked problems' waarvoor we nog geen oplossing hebben, ondanks jarenlang onderzoek. Wat verklaart bijvoorbeeld de gestage daling in de productiviteitsgroei – en wat kunnen we eraan doen? We weten het niet goed. Soms dachten we antwoorden te hebben – over de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt bijvoorbeeld – maar gedraagt de werkelijkheid (in dit geval de werkloosheid) zich opeens heel anders dan gedacht. En altijd blijkt de praktijk, en met name de uitvoerbaarheid van beleid, weerbarstig. Economen, ook bij het CPB , hebben daarvoor in het verleden wel eens te weinig aandacht gehad.

Daarbij komt dat we sommige problemen nooit hebben zien aankomen. Eén daarvan is de coronacrisis. Nog altijd is het lastig om grip te krijgen op de wereldwijde pandemie. De bijdrage die economen daaraan leveren, is beperkt. Zeker in de eerste fase van de pandemie werd het beleid vooral bepaald door epidemiologen, virologen en medisch-ethici. Economen denken in termen van afruilen – en die zijn in een exponentiële curve moeilijk te vinden. Dat wil niet zeggen dat economen niets hebben bij te dragen, of bijgedragen hebben. Het macro-economische beleid en de steunmaatregelen hebben tijdens deze crisis uitstekend gewerkt – mede door de vrijwel unanieme advisering door economen. 

Ook bij de grote maatschappelijke problemen die nu op het bordje van een nieuw kabinet liggen, kunnen economische experts een belangrijke bijdrage leveren. Maar dan wel met oog voor de beperkingen van de eigen analyse. Economische modellen, geworteld in empirische verbanden, zijn een nuttig instrument om de werkelijkheid te begrijpen en het beleid te ondersteunen. Tegelijkertijd vertellen ze nooit het hele verhaal en zijn ook inzichten en analyses uit andere disciplines noodzakelijk om tot beter beleid te komen. Het pleiten voor een benadering vanuit 'brede welvaart' lijkt soms een mantra te worden – maar laten we het eerst maar eens gaan doen.

Pieter Hasekamp

alle columns en artikelen

Pieter Hasekamp

directeur bij het Centraal Planbureau

Neem contact op